HR 14 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:562

Herziening. Opzetheling, meermalen gepleegd (art. 416.2 Sr). Aangevoerd wordt dat Rb het OM n-o zou hebben verklaard in vervolging van aanvraagster (zoals hof deed in zaak tegen medeverdachte A) als Rb bekend was geweest met wat is gebleken bij behandeling van die zaak in hoger beroep over vormverzuimen i.v.m. verklaringen van medeverdachte B, art. 457.1.c Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1889 m.b.t. gevallen waarin ex art. 359a Sv niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging in aanmerking kan komen. Stukken die aan aanvraag ten grondslag zijn gelegd, wekken ernstig vermoeden dat OM heeft verzuimd van het aan medeverdachte B verleende gunstbetoon een p-v a.b.i. art. 226g.4 Sv aan dossier in zaak Maggiora toe te voegen en dat aanvankelijk opgemaakt p-v is verwijderd uit systeem van politie, met aanpassing van nummering van 1 of meer pv’s. Van gesprek tussen medeverdachte B en o.a. zaaksOvJ is opname woordelijk uitgewerkt. Daardoor is inhoud van en gang van zaken rondom gunstbetoon bekend geworden. Daarmee is voornoemd verzuim in die mate hersteld dat geen grond bestaat om te oordelen dat, als Rb bekend was geweest met deze f&o, onderzoek van aanvraagsters zaak zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging. Ook v.zv. aan aanvraag ten grondslag is gelegd dat OM ten onrechte niet in wet voorgeschreven procedure heeft doorlopen m.b.t. verklaringen die medeverdachte B heeft afgelegd in zaak Maggiora en dat OM medeverdachte B ervan zou hebben weerhouden openheid te verschaffen over zijn contacten met OM m.b.t. de door hem in zaak Maggiora afgelegde verklaringen, doet zich niet gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv voor. Ook als wordt uitgegaan van vormverzuimen die aan aanvraag ten grondslag zijn gelegd, zijn deze door inmiddels ontstane mate van duidelijkheid over totstandkoming van en gang van zaken rondom de door medeverdachte B afgelegde verklaringen, in die mate hersteld, dat niet ernstig vermoeden wordt gewekt dat, als Rb bekend was geweest met deze f&o, onderzoek van aanvraagsters zaak zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van OM. Aan voorgaande doet niet af dat hof in zaak tegen medeverdachte A o.g.v. zijn oordeel over begane vormverzuimen en zijn waardering van ernst van die vormverzuimen, OM no in vervolging heeft verklaard. In deze herzieningsprocedure ligt immers niet ’s hofs arrest ter beoordeling voor. In deze procedure gaat het erom of, in licht van wat in aanvraag naar voren wordt gebracht en gelet op wat bekend is geworden over totstandkoming en gang van zaken rondom de door medeverdachte B afgelegde verklaringen, naar oordeel van HR sprake is van gegeven dat bij onderzoek ttz. aan rechter niet bekend was en, zo ja, of als dit gegeven bekend zou zijn geweest, ernstig vermoeden bestaat dat onderzoek van zaak zou hebben geleid tot (v.zv. hier van belang) niet-ontvankelijkverklaring van OM. Afwijzing aanvraag. Samenhang met 25/00561 H en 25/00577 H.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken