HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9475

Als eigenaresse van auto niet voldoen aan vordering om bekend te maken wie bestuurder was van haar auto ten tijde dat met die auto ongeval is veroorzaakt, art. 41.1 WVW. Verhouding tussen spreekplicht van eigenaar van auto en zwijgrecht van verdachte. Vordering a.b.i. art. 41.1 WVW verenigbaar met art. 14.3.g IVBPR, art. 6.2 EVRM en art. 29 Sv? Hof heeft verdachte vrijgesproken van primair tlgd. handelen in strijd met art. 30.1.a WVW, t.a.v. welk feit zij is verhoord waarbij zij is gewezen op haar zwijgrecht, en heeft verdachte vervolgens veroordeeld t.z.v. subsidiair tlgd. overtreding van art. 41.1 WVW. Vordering om naam en adres van onbekend gebleven bestuurder bekend te maken is op zichzelf niet onverenigbaar met onschuldpresumptie van art. 6.2 EVRM. Toepassing van art. 41.1 WVW zou evenwel niet te rechtvaardigen inbreuk opleveren op art. 14.3.g IVBPR en in art. 6 EVRM neergelegd “fair trial-beginsel”, indien eigenaar t.z.v. het als bestuurder plegen van bij WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit, waarop vordering a.b.i. art. 41.1 WVW is gericht, reeds is “charged with a criminal offence” in de zin van die verdragsbepalingen. Eigenaar of houder tegen wie tevoren vanwege Staat reeds handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat hij ervan wordt beschuldigd als bestuurder van motorrijtuig bij WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit te hebben begaan, zou immers door onder wettelijke strafbedreiging te voldoen aan vordering van art. 41.1 WVW om bestuurder bekend te maken in strijd met verdragsbepalingen onder dwang informatie verschaffen welke als bewijs van dat misdrijf tegen hem kan worden gebruikt. M.b.t. vraag of vordering a.b.i. art. 41.1 WVW gericht tot eigenaar of houder van motorrijtuig, die zelf wordt verdacht van in WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit, onverenigbaar is met art. 29 Sv is van belang: (a) enerzijds dat weliswaar in Nederlands recht niet is verankerd onvoorwaardelijk recht of beginsel dat verdachte op generlei wijze kan worden verplicht tot verlenen van medewerking aan verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal; en (b) anderzijds echter dat aan art. 29 Sv beginsel ten grondslag ligt dat verdachte niet kan worden verplicht tot afleggen van verklaring waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. Indien nu eigenaar of houder van motorrijtuig waarmee in WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit is begaan van dat feit wordt verdacht en hem bij verhoor t.z.v. dat feit is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, druist op dat feit betrekking hebbende vordering a.b.i. art. 41.1 WVW, gedaan na dit verhoor, in tegen voormeld aan art. 29 Sv ten grondslag liggend beginsel. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat in zodanig geval art. 41.1 WVW niet geldt. Uit wetsgeschiedenis blijkt ook niet dat wetgever met art. 41 WVW heeft beoogd inbreuk op dit beginsel te maken. Hof heeft verweer, inhoudende dat verdachte niet verplicht was aan vorderingen van verbalisant en OvJ gevolg te geven omdat zij het recht had te zwijgen, verworpen door te overwegen dat art. 41 WVW niet strijdig is met art. 14 IVBPR. Tegen achtergrond van hetgeen namens verdachte is aangevoerd, heeft Hof verweer verworpen op gronden die verwerping niet kunnen dragen. Ervan uitgaande dat hetgeen als verweer van verdachte is weergegeven feitelijke grondslag heeft, had Hof dit verweer op zijn merites behoren te beoordelen, hetgeen HR zelf kan doen. Enkele omstandigheid dat aan verdachte, toen zij door politie werd verhoord i.v.m. overtreding van art. 30.1.a WVW, werd medegedeeld dat zij niet tot antwoorden was verplicht, leidt niet tot slotsom dat tegen verdachte ‘’criminal charge’’ in de zin van voornoemde verdragsbepalingen was uitgebracht. Noch verhoor zelf, noch mededeling dat verdachte niet tot antwoorden was verplicht, kan gelden als handeling vanwege Staat waaraan zij in redelijkheid gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat t.z.v. overtreding van voornoemde wetsbepaling strafvervolging tegen haar zou worden ingesteld. Hieruit volgt dat namens verdachte gevoerd verweer, v.zv. stoelend op meergenoemde verdragsbepalingen, niet kan slagen. Verweer slaagt echter wel voor wat betreft beroep op niet-strafbaarheid van bewezenverklaard feit i.v.m. art. 29 Sv. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, nu verdachte t.t.v. tot haar gerichte vorderingen a.b.i. art. 41.1 WVW reeds als verdachte van overtreding van art. 30.1.a WVW door politie was gehoord, zij niet gehouden was om aan die vorderingen gevolg te geven. Nu bewezenverklaarde niet strafbaar is ex art. 41.1 jo art. 35.3 WVW, noch elders strafbaar is gesteld, dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. HR ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. CAG (anders t.a.v. strekking): vernietiging en verwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen