HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1707
OM-cassatie. Art. 165 WVW 1994 (vordering om als kentekenhouder naam en personalia van de bestuurder kenbaar te maken) en zwijgrecht. Nu de wettelijke regeling tz. naar de kern genomen niet is gewijzigd, heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen hetgeen in HR LJN ZC9475 uit 1993 is overwogen: de kentekenhouder die al als verdachte van een verkeersmisdrijf is aangemerkt, doordat hij tz. dat misdrijf als verdachte is gehoord, is niet verplicht aan de daarna gevolgde vordering ex artikel 41 WVW (oud) gevolg te geven. Daarbij heeft het Hof evenzeer terecht geen onderscheid gemaakt al naar gelang iemand die van een verkeersmisdrijf wordt verdacht, al dan niet gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht. Ook voor de verdachte die geen gebruik maakt van zijn zwijgrecht, geldt dat de verplichting te voldoen aan de vordering ex art. 165.1 WVW 1994 strijdig is met het beginsel dat aan art. 29 Sv ten grondslag ligt.
De uitspraak op rechtspraak.nl