HR 19 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8556
OM-cassatie. Bezwaarschrift tegen dagvaarding. Beschikking hof inhoudende dat verdachte buiten vervolging wordt gesteld t.z.v. verdenking van belastingfraude op de grond dat OM n-o is in zijn vervolging. 1. Toetsing ontvankelijkheid OM in bezwaarschriftprocedure. Kon hof de strafvervolging in volle omvang toetsen aan Richtlijnen voor opsporing en vervolging van belastingdelicten? 2. Interpretatie van begrip “onderzoeksperiode” in Richtlijn. Mocht hof bij beoordeling van ontvankelijkheid OM gegevens betrekken, die door verdachte waren verstrekt over jaar 1984, nu periode waarbinnen verdachte te weinig belasting zou hebben betaald liep tot en met jaar 1983? Ad 1 en 2. Richtlijn OM Belastingdienst (Stcrt. 1985, 15) moet worden beschouwd als “recht” a.b.i. art. 99 RO. Deze Richtlijn bevat immers door PG’s bij hoven vastgestelde en behoorlijk bekend gemaakte regels omtrent uitoefening van beleid van OM, die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven maar die OM wel o.g.v. beginselen van behoorlijke procesorde binden en die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast (vgl. HR RvdW 1990.77). Hof heeft, door te oordelen dat uitkomsten betreffende jaar 1984 in onderzoeksperiode moeten worden begrepen nu daarop betrekking hebbende stukken in voorbereidend onderzoek zijn betrokken en deel uitmaken van strafdossier, het in Richtlijn gehanteerde begrip “onderzoeksperiode” onjuist uitgelegd. In aanmerking genomen dat ingevolge Richtlijn voor keuze tussen strafrechtelijke afdoening en interne afdoening door belastingdienst een bedrag aan te weinig geheven belasting en/of premie gedurende onderzoeksperiode in beginsel beslissend is, kunnen tot onderzoeksperiode immers niet behoren een of meer jaren waarover niet te weinig belasting is geheven, althans ten aanzien waarvan uit ingesteld onderzoek niet is gebleken van bestaan van vermoeden dat te weinig belasting is geheven. Dit kan evenwel niet tot cassatie leiden, omdat tussen ’s hofs beschikking en beschikking HR een periode van meer dan 2 jaren is verstreken. Na vernietiging van ‘s hofs beschikking en daardoor noodzakelijke verwijzing van zaak naar ander hof, zou eerst indien en nadat dat hof het bezwaarschrift n-o of ongegrond zou hebben verklaard, de met de aan verdachte betekende dagvaarding ingeleide vervolging kunnen worden voortgezet. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat bij afweging van enerzijds belang van gemeenschap bij vervolging van strafbare feiten en anderzijds belang van verdachte bij berechting binnen redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM, laatstgenoemde belang moet prevaleren, zodat OM in zijn vervolging n-o is. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl