Conclusie A-G Silvis 17 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1338

Vordering tot cassatie in het belang der wet. Euthanasietoepassing op patiënte met vergevorderde dementie op schriftelijk verzoek. Rechtbank ontsloeg de vervolgde arts van alle rechtsvervolging. De vordering hangt samen met de tegelijkertijd ingediende vordering in de tuchtzaak (19/05016) betreffende de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 19 maart 2019. Het doel van deze vordering is om de Hoge Raad in de gelegenheid te brengen sturing te geven aan de rechtsontwikkeling betreffende euthanasie, in het bijzonder waar het betreft patiënten met gevorderde dementie. De Euthanasiewet (Wtl) berust op de door de wetgever aanvaarde fundamenten van de beschermwaardigheid van leven, het zelfbeschikkingsrecht van mensen, compassie met lijden en bescherming van de menselijke waardigheid. Verdragsrechtelijk van belang zijn het recht op leven (art. 2 EVRM), het recht niet onmenselijk behandeld te worden (art. 3 EVRM) en het recht op een privéleven (art. 8 EVRM). In de rechtspraak van het EHRM over de art. 2 en 8 EVRM komt tot uitdrukking dat verdragsstaten een ruime beoordelingsvrijheid hebben aangaande de wijze waarop de bescherming van het leven van patiënten in een uitzichtloze toestand wordt vormgegeven. Nederlandse regeling is volgens de PG EVRM-proof. Ook een schriftelijk euthanasieverzoek zonder actuele mondelinge bevestiging komt bij uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht niet in strijd met de beschermwaardigheid van het leven. Ondank kritische aantekeningen bij de ontvankelijkheid van het OM, wordt het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid onderschreven. Hoewel het strafrecht vooral strekt tot handhaving van strafrechtelijke normen door het sanctioneren van overtreders, is ook in dat domein de bescherming van het in het geding zijnde rechtsgoed leven een legitieme drijfveer. Om een eerlijk proces mogelijk te maken, verdient compensatie van de nadelige positie van de arts (meldplicht, dubbele vervolging, bewijslastverdeling) nadrukkelijk overweging. De PG doet enkele suggesties. De opvatting van het OM dat sprake is van moord omdat niet is vastgesteld dat er een vijwillig en weloverwogen euthanasieverzoek is, is niet houdbaar. Het vaststellen van het voortbestaan van een uitdrukkelijk en ernstig verlangen op het moment van levensbeëindiging is niet in alle gevallen nodig om te komen tot toepassing van art. 293 Sr. (Zie paragraaf 7.17 t/m 7.28). Het schriftelijk euthanasieverzoek is door de rechtbank op de juiste wijze uitgelegd, zoals door de wetgever is beoogd. De rechtbank kon tot het oordeel komen dat het euthanasieverzoek en de dementieclausules ondubbelzinnig waren over de wens tot euthanasie bij opname in een verpleeghuis en dat de arts daarop haar overtuiging kon vestigen. Indien mondelinge verificatie van de wensen en het lijden van de patiënt niet mogelijk is, moet de arts de vereiste overtuiging dat aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan, krijgen op basis van zijn eigen beoordeling van het medisch dossier en de concrete situatie van de patiënt, overleg met hulpverleners die met de patiënt een behandelrelatie hebben of hadden en overleg met familie en naasten. Wanneer wordt overwogen euthanasie te verlenen op grond van een schriftelijke wilsverklaring terwijl de patiënt ter zake niet meer wilsbekwaam is, zijn de zorgvuldigheidsvereisten die in art. 2 lid 1 Wtl zijn vermeld, van overeenkomstige toepassing, dat wil zeggen dat zij van toepassing zijn voor zover de feitelijke situatie dit toelaat. Een arts is nooit verplicht euthanasie te verlenen. Er bestaat geen medische indicatie voor euthanasie. Of een arts bij de uitvoering van euthanasie heeft voldaan aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen, dient door de rechter met terughoudendheid te worden getoetst. Oordeel dat sprake was van (subjectief) ondraaglijk en objectief) uitzichtloos lijden is deugelijk onderbouwd. Ten aanzien van de vraag hoe reacties van de patiënt bij de uitvoering van de euthanasie moeten worden geduid, dient het medisch-professionele oordeel van de arts in beginsel te worden gerespecteerd door de strafrechter. Belang van een project van de KNMG om onduidelijkheid aangaande standpunten en normen van de beroepsgroep aangaande euthanasie en dementie weg te nemen, wordt door de PG onderstreept. Paragraaf 4.14 aangevuld op 7 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:9.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken