HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1275
Ontvankelijkheid OM. Aanwijzing Opiumwet (Stcrt. 2000, 250) moet worden beschouwd als ‘recht’ in de zin van art. 79 RO, aangezien deze regels bevat omtrent de beleidsuitgangspunten bij de opsporing en vervolging van Opiumwetdelicten. Deze regels kunnen niet gelden als algemeen verbindende voorschriften maar binden wel het OM o.g.v. beginselen van een behoorlijke procesorde en lenen zich ertoe jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast (vgl. HR LJN ZC8556). De Aanwijzing moet aldus worden uitgelegd dat - behoudens door het OM te stellen en aannemelijk te maken bijzondere omstandigheden en mits tijdig afstand is gedaan van het inbeslaggenomen plantenmateriaal - teelt van niet meer dan vijf hennepplanten met een politiesepot wordt afgedaan, ongeacht de hoeveelheid of het gewicht van de met die teelt verkregen of te verkrijgen opbrengst van voor consumptie geschikte hennep of hennepproducten. Nu het hof van voornoemde uitleg is uitgegaan en feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verdachte niet aanstonds bij het aantreffen van de planten maar eerst op de terechtzitting in eerste aanleg afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen 5 hennepplanten, geeft de verwerping van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet blijk van miskenning van de Aanwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl