Hof 's-Hertogenbosch 1 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4542
Toepassing voor de vrijstelling voor (af)splitsing als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdeel h, van de Wet BRV 1970. K B.V. is de splitsende rechtspersoon en belanghebbende B.V. (hierna: belanghebbende) is de afgesplitste rechtspersoon. In het kader van de (beoogde) verkoop van de aandelen in K B.V. aan J B.V. zijn onroerende zaken, welke laatstgenoemde niet wenste over te nemen, overgedragen aan belanghebbende. De aandelen in K B.V. zijn nadien verkocht aan J B.V. Door deze aandelenoverdracht is het bewijsvermoeden zoals opgenomen in de laatste volzin van artikel 5c, lid 1, van het UB BRV 1971 van toepassing. Belanghebbende is niet geslaagd in de op haar rustende last aannemelijk te maken dat de afsplitsing op zakelijke overwegingen berust. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl