Hof Den Haag 18 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1745

In geschil is of: a. de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 tijdig zijn opgelegd, b. de hoorplicht is geschonden, c. de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, d. de Inspecteur niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 8:42 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter toe te sturen en aan belanghebbende tijdens het inzagerecht voorafgaand aan het hoorgesprek te overleggen, e. het inkomen uit werk en woning juist is vastgesteld, meer in het bijzonder of sprake is van een bron van inkomen en belanghebbende is aan te merken als ondernemer, f. het bedrag van de in aanmerking genomen pga op een te laag bedrag is vastgesteld en of het bedrag van de nog te verrekenen pga uit voorgaande jaren terecht op nihil is vastgesteld, g. het voordeel uit sparen en beleggen op een te hoog bedrag is vastgesteld, waarbij voorts in geschil is of de vermogensrendementsheffing in de onderhavige jaren op stelselniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM dan wel met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. Daarbij is tevens in geschil of de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 voor zover deze betrekking hebben op de belastbare inkomens uit sparen en beleggen verminderd moeten worden, omdat sprake is van een individuele en buitensporige last, h. de Inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige aanslagen IB/PVV terecht gebruik heeft gemaakt van extrapolatie, i. belanghebbende recht heeft op een (hoger) bedrag aan vergoeding van immateriële schade dan is toegekend en j. of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken