Hof Den Haag 2 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1269

in geschil of: a. de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd omdat deze niet binnen de termijn is gedaan; b. de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft verbeurd; c. de primitieve aanslag IB/PVV 2005 tijdig is opgelegd; d. de hoorplicht, het inzagerecht en het verdedigingsbeginsel zijn geschonden; e. de Inspecteur beschikt over een zogenoemd nieuw feit voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen; f. belanghebbende en zijn echtgenote kunnen worden aangemerkt als fiscale partners; g. het leerstuk van de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is; h. het inkomen uit werk en woning op de juiste hoogte is vastgesteld; i. het saldo van de te verrekenen verliezen op een te laag bedrag is vastgesteld; j. het bedrag aan voorwaarts te verrekenen verliezen, welke zijn ontstaan bij de echtgenote van belanghebbende, moeten worden doorgeschoven naar belanghebbende; k. het bedrag van de nog te verrekenen pga op een te laag bedrag is vastgesteld; l. het voordeel uit sparen en beleggen op de juiste hoogte is vastgesteld; m. de verliesvaststellingsbeschikking en de beschikking niet in aanmerking genomen pga voortijdig zijn genomen; n. de navorderingsaanslag Zfw 2005 terecht is opgelegd; o. de Inspecteur in het geding in eerste aanleg niet heeft voldaan aan de in artikel 8:42 van de Awb neerlegde verplichting tot inzending van de op de zaak betrekking hebbende stukken; p. belanghebbende zich met vrucht kan beroepen op gewekt vertrouwen; q. sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; en of r. belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken