Hof Den Haag 20 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2071

Art. 16 Successiewet 1956, art. 2.14a Wet IB 2001. Erfbelasting. Afgezonderd particulier vermogen in stichting met geen ander feitelijk doel dan verhuur van vier panden. Stichting is geen SBBI. Erflaatster, moeder van belanghebbende, is bij leven betrokken geweest bij de verwerving van vier panden door een stichting waarvan zij en belanghebbende bestuurders waren. Eén pand was haar eigendom en is in feite om niet ingebracht. Bij twee andere panden is sprake van een afzondering onder maatschappelijk ongebruikelijke voorwaarden. Bovendien beoogde erflaatster meer dan bijkomstig een particulier belang. Het wettelijke begrip ‘rechtens dan wel in feite, direct of indirect afzonderen van vermogen’ ziet in dit geval op alle vier panden, inclusief het door de stichting zelf aangekochte pand. Deze uitleg sluit aan bij doel en strekking van de wet, nl. het zoveel als mogelijk voorkomen van een heffingsvacuüm, en de wetsgeschiedenis. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen begunstigde in de zin van art. 2.14a, lid 6, Wet IB 2001 van de stichting kan worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken