Hof Den Haag 18 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3680

De Inspecteur stelt dat het vermogen van een door de moeder van belanghebbende opgerichte stichting – waarvan belanghebbende sinds de oprichting deel uitmaakt van het bestuur – op grond van het leerstuk van fiscale transparantie, dan wel op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001, in het jaar 2012 tot de grondslag van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende dient te worden gerekend. De Inspecteur maakt echter niet aannemelijk dat belanghebbende de feitelijke beschikkingsmacht had over het vermogen van de stichting, noch dat sprake is van een afgezonderd particulier vermogen en een daarmee samenhangende vermogensoverdracht door belanghebbende aan de stichting. Daarnaast heeft de Inspecteur tevens de in aanmerking genomen correctie aangaande buitenlandse banktegoeden, niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken