Hof Den Haag 2 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2349
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het boekjaar 2016 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Belanghebbende heeft deze voorlopige aanslag in 2016 betaald. Na afloop van het boekjaar doet belanghebbende aangifte vennootschapsbelasting. De tweede voorlopige aanslag wordt conform de ingediende aangifte opgelegd en leidt tot een teruggave. Naar aanleiding van een boekenonderzoek dient belanghebbende een herziene aangifte vennootschapsbelasting in. De derde voorlopige aanslag wordt conform de herziene aangifte opgelegd. De derde voorlopige aanslag resulteert in een te betalen bedrag. Bij beschikking wordt € 1.553 belastingrente in rekening gebracht. In geschil is of bij de derde voorlopige aanslag terecht en naar het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht. Belanghebbende bepleit primair dat geen belastingrente in rekening kan worden gebracht over de periode dat het geld op de bankrekening van de Belastingdienst stond, omdat dat niet strookt met de grammaticale uitleg van de wettekst dan wel in strijd is met doel en strekking van de wet. Het Hof verwerpt die stelling. De belastingrenteregeling in de AWR kent een eigen juridisch begrip belastingrente; de uitleg van het bedrijfseconomisch begrip rente is hierbij niet van belang. Tevens overweegt het Hof dat het in rekening brengen van belastingrente in het onderhavige geval niet strijdig is met het doel en strekking van de wet. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de belastingrenteregeling staat de verzuimgedachte centraal. De belastingrente dient dan ook als prikkel tot het tijdig en naar het juiste bedrag doen van de aangifte. Belanghebbende stelt subsidiair dat het begunstigend beleid van staatssecretaris van Financiën niet is ingetrokken per 8 december 2017. De subsidiaire stelling van belanghebbende slaagt niet. Het Hof verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3106, en ziet geen reden om van dit oordeel terug te komen. Het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende waarin hij een beroep doet op het vertrouwensbeginsel slaagt. Het Hof oordeelt dat beëindiging van gewekt vertrouwen, evenals de intrekking van begunstigend beleid, niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. Tot het moment van intrekking van het begunstigend beleid – 8 december 2017 – kan geen belastingrente in rekening worden gebracht. De belastingrente moet daarom worden beperkt tot de periode van 9 december 2017 tot en met 3 november 2018.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 8 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10903
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5419
- Hof Den Haag 14 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3106
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5364
- HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:757
- Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4583
- HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:873
- HR 22 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:BI4632
- HR 23 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4746