Hof Den Haag 3 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:759
Berekening van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Belanghebbende en zijn broer, vennoten in een vennootschap onder firma (vof), hebben geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen voor in totaal € 119.385 en daarvoor in hun aangifte IB/PVV 2016 ieder aanspraak gemaakt op een kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) van € 7.254. In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de KIA € 15.687 dan wel € 14.505 bedraagt. Wanneer toepassing van de tabel van artikel 3.41, lid 2, Wet IB 2001 op het totale bedrag aan investeringen van de vof uitkomt op een KIA naar een vast bedrag (in plaats van een percentage) heeft volgens belanghebbende elk lid van de vof recht op dat vaste bedrag. Alleen wanneer de tabel uitkomt op een percentage, geldt dat dit moet worden toegepast op het aan elke vennoot toerekenbare aandeel in de investering. Belanghebbende verwijst naar de sinds 2010 geldende nieuwe berekeningssystematiek van de KIA, waarbij de derde en vierde schijf van de tabel de KIA vaststellen op een bedrag in plaats van een percentage van het investeringsbedrag. Het Hof verwerpt belanghebbendes standpunt. Met de bepaling in lid 3 is beoogd dat leden van een samenwerkingsverband niet worden bevoordeeld ten opzichte van eenmanszaken of BV’s, dat investeringen boven het bedrag van de tweede schijf leiden tot een lagere aftrek dan investeringen binnen de tweede schijf en dat investeringen boven het bedrag van de derde schijf worden afgetopt. Bij het volgen van belanghebbendes standpunt zouden die doelstellingen niet worden bereikt. De wettekst biedt evenmin steun aan de opvatting van belanghebbende.
De uitspraak op rechtspraak.nl