Conclusie A-G Niessen 16 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:29

A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de berekening van de KIA voor een belastingplichtige die onderneemt via een samenwerkingsverband en de uitwerking van de doorschuifregel. Belanghebbende drijft samen met haar echtgenoot een vof. Beide vennoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de winst en hebben in 2016 gezamenlijk een bedrag van € 83.476 in de vennootschap geïnvesteerd. Belanghebbende meent dat zij op basis van art. 3.41 Wet IB 2001 een bedrag van € 14.514 in aanmerking kan nemen als kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). De Rechtbank is van oordeel dat op basis van het gezamenlijke investeringsbedrag en art. 3.41, lid 2 Wet IB 2001 de totale KIA € 15.687 bedraagt. Hiervan schuift € 2.347 door naar 2017 waardoor een totale KIA voor 2016 resteert van € 13.340 en uitgaande van een 50/50 winstverdeling heeft belanghebbende dan recht op een KIA van € 6.670, aldus de Rechtbank. Het eerste middel van belanghebbende betoogt – kort gezegd – dat alleen haar berekeningsmethode (geen verdeling over vennoten) steun vindt in de tekst van de wet. De A-G is het met de Rechtbank en de Staatssecretaris eens dat hun berekeningsmethode (wel verdeling over vennoten) in overeenstemming is met doel en strekking van de regeling. Het betoog van belanghebbende laat naar de mening van de A-G echter zien dat het oordeel van de Rechtbank niet helemaal helder is. Een grammaticale uitleg van het huidige art. 3.41 Wet IB 2001 geeft immers wel aanknopingspunten voor de berekeningsmethode die belanghebbende bepleit. Desalniettemin concludeert de A-G dat de berekeningsmethode van belanghebbende in strijd is met de bedoeling van de wetgever en tot ongerijmde resultaten leidt. Daar komt volgens de A-G nog bij dat de wettekst ook kan, en in zijn ogen: moet, worden gelezen in lijn met de berekeningsmethode van de Rechtbank. Het eerste middel faalt. Het tweede middel dat belanghebbende voorstelt betoogt dat de berekeningsmethode van de Rechtbank in strijd is met HR 24 mei 2019, nr. 18/00135, ECLI:NL:HR:2019:785. De aangeroepen overweging van de HR ziet op de kwestie van de buitenvennootschappelijke investeringen. Belanghebbende heeft geen buitenvennootschappelijke investeringen gedaan en daarom kan volgens de A-G de stelling van belanghebbende niet aan het arrest van 24 mei worden ontleend. Zij is naar zijn mening bovendien in strijd met de wijze waarop volgens hem de tekst van de wet moet worden gelezen. Het tweede middel faalt.   In haar beroepschrift in cassatie betoogt belanghebbende voorts dat de door te schuiven KIA aan haar en haar medevennoot ieder voor de helft moet worden toegerekend. Ingeval deze opmerking is bedoeld als een klacht, faalt zij, aangezien het doorgeschoven aftrekbedrag in de berekening van de Rechtbank eveneens over beide vennoten is verdeeld. De A-G concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken