Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369

Artikel 6 EVRM. Schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn. Proceskostenvergoeding. Artikel 7:28 Awb. Uitleg van het begrip ‘aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid’. Het hof hanteert in het vervolg als uitgangspunt dat indien de redelijke termijn van berechting is overschreden, hetzij in de procedure in eerste aanleg, hetzij in de procedure in hoger beroep, het sanctiebedrag zoals dat in die procedure is of had moeten worden vastgesteld in beginsel wordt gematigd met 25%. De omstandigheden waarin de betrokkene verkeert als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vormen daarvoor de grondslag. Indien de redelijke termijn van berechting slechts in hoger beroep is overschreden, maar de totale duur van de procedure overschrijdt niet een periode van vier jaar, zal het hof volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden Het hof geeft uitleg aan het begrip ‘aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid’ in de zin van artikel 20d, vierde lid, van de Wahv junctis de artikelen 13a van de Wahv en 7:28, tweede lid, van de Awb op een manier die past bij de wijze waarop de wetgever vorm heeft gegeven aan de oplegging van sancties op grond van de Wahv. Deze uitleg komt erop neer dat indien de betrokkene in het gelijk wordt gesteld doordat in administratief beroep, in beroep bij de kantonrechter of in hoger beroep, wordt bepaald dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd, dit voor de toekenning van de proceskostenvergoeding aan de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd wordt toegerekend. Dit betreft niet alleen de situatie dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht of de omstandigheden waarin de persoon van de betrokkene verkeert nopen tot de conclusie dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie moet worden gematigd, maar ook de situatie dat de regelgever hangende de beroepsprocedure de -door de ambtenaar toe te passen- sanctiebedragen heeft gewijzigd. Tot een dergelijke toerekening komt het hof niet indien de matiging van het sanctiebedrag (uitsluitend) zijn grondslag vindt in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. In een dergelijke situatie komen alleen de proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden, voor vergoeding in aanmerking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken