HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197

Oplichting, art. 326 Sr, nalaten tijdig gegevens te verstrekken, art. 227b Sr. Overschrijding redelijke termijn in feitelijke instanties. Hof heeft geoordeeld dat sprake is van “een relatief geringe overschrijding” van “de redelijke termijn van de procedure als geheel” zodat kan worden volstaan met het constateren van die overschrijding. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn in e.a. en h.b. en de vraag welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden. Hof heeft dit beoordelingskader miskend, omdat hof weliswaar tijdsverloop van behandeling van zaak in e.a. en in h.b. afzonderlijk heeft onderzocht, maar bij beoordeling of sprake is van overschrijding van redelijke termijn duur van de “procedure als geheel” en dus totale duur van berechting in feitelijke aanleg beslissend heeft laten zijn. Ook doet zich hier, gelet op door hof in aanmerking genomen overschrijding van “de redelijke termijn van de procedure als geheel” met vijf maanden, niet het geval voor waarin kan worden volstaan met oordeel dat redelijke termijn a.b.i. in art. 6.1 EVRM is overschreden. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf te verminderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken