Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1777
Artikel 6 EVRM. Immateriële schade. 7:17 Awb. Horen Het hof past voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting het beoordelingskader toe dat wordt toegepast in de bestuursrechtelijke rechtspraak in procedures waaraan een bestraffende sanctie ten grondslag ligt: er is sprake van schending van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Dit leidt echter in het algemeen niet tot een andere uitkomst voor de betrokkene. Bij sancties onder de € 1000,-, zoals deze, wordt de sanctie niet gematigd, maar volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. De betrokkene wilde in persoon worden gehoord door de officier van justitie. Gelet op de wetsgeschiedenis is telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting. Aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, kan in dit geval niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van 7:17, aanhef en onder d, AWB ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3027
- ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188
- CBb 28 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866
- Hof Leeuwarden 20 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BZ6620
- ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7011
- Hof Leeuwarden 21 juli 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3210
- HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191