Hof Amsterdam 18 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3407
Klacht BFT tegen een gerechtsdeurwaarder. Het BFT verwijt de gerechtsdeurwaarder - samengevat - het volgende: 4.1. tekortkomingen in de administratie: a) een bewaringstekort, b) het presenteren van een te rooskleurig beeld van de financiële positie van het kantoor, c) onjuiste schuldenaarstarieven en verdeelkosten en d) onjuiste toepassing btw-regels; 4.2. niet voldaan aan de voorgeschreven liquiditeits- en solvabiliteitsratio; 4.3. handelen in strijd met artikel 475i Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (overschrijding wettelijke termijn voor overbetekening van derdenbeslagen); 4.4. niet-tijdige afwikkeling en afrekening van dossiers; 4.5. handelen in strijd met vereiste van proportionaliteit/kostenminimalisatie. De kamer heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, de gerechtsdeurwaarder daarvoor de maatregel van berisping opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het hof heeft het BFT niet ontvankelijk verklaard in zijn nieuwe klacht en de bestreden beslissing omwille van de duidelijkheid in haar geheel vernietigd. Het hof heeft de klacht op alle voormelde onderdelen gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. Geen aanleiding om af te wijken van uitgangspunt dat in de tuchtrechtspraak bij schending van de bewaringsplicht in beginsel een ontzetting uit het ambt wordt uitgesproken. Dat de gerechtsdeurwaarder inmiddels ontslag is verleend, vormt geen beletsel voor het alsnog opleggen van de maatregel van ontzetting. Het hof bepaalt de termijn waarbinnen de gerechtsdeurwaarder niet tot waarnemer kan worden benoemd of aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd, op vijf jaar. Kostenveroordeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl