Hof Amsterdam 19 oktober 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4675
De gerechtsdeurwaarder bekleedt in de maatschappij een plaats die mede is gegrond op het vertrouwen dat de justitiabelen in deze ambtenaar hebben. Dat leidt ertoe dat in de tuchtrechtspraak een inbreuk op die bewaringsplicht in beginsel gesanctioneerd moet worden met een ontzetting uit het ambt. Onder omstandigheden kan de tuchtrechter echter afwijken van dit uitgangspunt. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder vrijwel direct het tekort aangevuld. Daarnaast was het deposito gedurende de negatieve bewaringspositie feitelijk altijd beschikbaar, zij het dat gedurende tweeënenhalf jaar in strijd met de op de gerechtsdeurwaarder rustende bewaringsplicht is gehandeld. Momenteel is er een bewaringsoverschot. Vorenstaande laat echter onverlet dat het gedrag van de gerechtsdeurwaarder dermate laakbaar is dat in de gegeven omstandigheden de maatregel van schorsing passend en geboden is. Het hof legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van schorsing op voor de duur van zes (6) maanden.
De uitspraak op rechtspraak.nl