Hof Amsterdam 16 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BP2050
Naar het oordeel van het hof maakt de enkele omstandigheid dat een notaris belang heeft bij een goed functioneren van het notariaat in het algemeen, hem niet tot belanghebbende bij het handelen of nalaten van iedere individuele notaris. Daartoe is vereist dat die de notaris een eigen belang heeft bij een tuchtrechtelijke uitspraak over het handelen en/of nalaten van die (andere) notaris. Het hof is van oordeel dat zodanige betrokkenheid van de notaris te dezen niet is aangetoond. De beslissing moet in zoverre worden vernietigd. Vervolgens dient het hof te beoordelen het klachtonderdeel welke ziet op het collegiaal handelen van de oud-notaris ten opzichte van de notaris. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat de oud-notaris te dezen onjuist heeft gehandeld. Hij heeft opdracht gekregen tot het verlijden van een akte van levering met een nagenoeg ‘passeerklaar’ dossier afkomstig van de notaris. Het had dan ook in de rede gelegen dat de oud-notaris in het kader van de op hem rustende verplichting zich te gedragen als een goed collega, contact zou hebben opgenomen met de notaris. Nu de oud-notaris dit heeft nagelaten heeft hij tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld en wel dermate laakbaar dat het hof de maatregel van waarschuwing passend en geboden acht.
De uitspraak op rechtspraak.nl