Hof Amsterdam 4 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2916
De Nederlandse rechter is bevoegd om over het verzoek tot ondertoezichtstelling te oordelen, omdat het kind ten tijde van het indienen van het verzoek haar gewone verblijfplaats had in Nederland. Het kind is naar maatstaven van het Nederlandse recht, welk recht van toepassing wordt geacht omdat het kind met Nederland de sterkste band heeft, minderjarig. Daarom kan het kind niet zelfstandig hoger beroep instellen. De gronden voor ondertoezichtstelling worden door het hof nog steeds aanwezig geacht, zodat de beslissing van de rechtbank tot ondertoezichtstelling wordt bekrachtigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 270 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 798 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 806 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 809 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 60 RO
- Artikel 6 AB
- Artikel 1:10 BW1
- Artikel 1:12 BW1
- Artikel 1:233 BW1
- Artikel 1:245 BW1
- Artikel 1:253i BW1
- Artikel 1:254 BW1
- Artikel 1:255 BW1
- Artikel 1:256 BW1
- Artikel 3:32 BW3
- Artikel 3:63 BW3
- Artikel 6 EVRM