Art. 270 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. Indien de rechter, zonodig ambtshalve, beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, verwijst hij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, naar die andere rechter. De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie de zaak is verwezen. Verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.
2. In zaken met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en ontbinding van een geregistreerd partnerschap en daarmee verband houdende verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening of een nevenvoorziening, vindt een verwijzing als bedoeld in het eerste lid slechts plaats indien de andere echtgenoot of geregistreerde partner de bevoegdheid betwist.
3. Tegen de beslissing waarbij een betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak naar een andere rechter wordt verwezen, is geen hogere voorziening toegelaten. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan die verwijzing gebonden. De vorige zin mist toepassing indien de rechter zich tevens absoluut onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar een hogere rechter.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 17 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13948
- HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316
- HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:284
- Conclusie A-G de Bock 15 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:341
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5549
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 2 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1229
- HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1770
- HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:272
- HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2724
- Rb. Rotterdam 6 mei 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4326
- Conclusie A-G Lückers 23 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:851
- Conclusie A-G Lückers 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:470
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 17 mei 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:79
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 18 februari 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:24
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 31 januari 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:16
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:280
- Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5822
- Rb. Rotterdam 28 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7456
- Conclusie A-G Hartlief 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1033