Hof Amsterdam 27 november 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8671
Y heeft in verband met de verkoop van (een deel van) zijn aandelen in belanghebbende in 1996 heeft afgezien van zijn pensioenaanspraak jegens belanghebbende. In geschil is of de pensioenaanspraak van Y door het afzien ervan is aan te merken als loon uit een vroegere dienstbetrekking op grond van artikel 11c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet (tekst 1996). Het Hof is van oordeel dat Y mogelijk een zakelijke overweging had om als aandeelhouder om af te zien van zijn pensioenaanspraak jegens belanghebbende, maar dat hij geen dwingende maatschappelijke reden had om als werknemer zijn pensioenaanspraak prijs te geven. Kennelijk heeft Y zijn pensioenaanspraak als werknemer prijsgegeven met het oog op zijn belang als aandeelhouder van belanghebbende. Het Hof kan belanghebbende tot slot ook niet volgen in haar stelling dat artikel 11c, eerste lid, onderdeel c, van de Wet slechts toepassing vindt bij misbruik, een truc of oneigenlijk handelen door de werknemer.
De uitspraak op rechtspraak.nl