CRvB 22 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:910

De Raad is van oordeel dat de Svb appellante op de peildata van de kwartalen in geding terecht nog niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt, omdat zij toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De rechtbank heeft, in overeenstemming met de genoemde rechtspraak, alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd. Dat met name naar de juridische binding zou moeten worden gekeken, is niet in lijn met genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad op dit punt en volgt evenmin uit het door appellante aangehaalde arrest van het gerechtshof Den Haag. Voor het aannemen van een duurzame band van persoonlijk aard met Nederland moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. De stelling van appellante dat zij wel beschikte over een duurzaam tot haar beschikking staande woning wordt niet gevolgd. Het feit dat appellante in Nederland aan de belastingen is onderworpen, leidt niet tot een ander oordeel. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen personen die een (afgeleid) verblijfsrecht hebben op grond van artikel 21 van het VWEU en personen als appellante die een (afgeleid) verblijfsrecht hebben op grond van artikel 20 van het VWEU. Gelet op wat is overwogen ziet de Raad aanleiding om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken