CRvB 20 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:147

Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2020, waarbij de vraag voorligt of appellante op de peildatum van dat kwartaal ingezetene van Nederland was. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb appellante op de peildatum van het tweede kwartaal terecht nog niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt, omdat zij toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Ook naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de Svb zich bij zijn besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellante. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen van appellante door de weigering om kinderbijslag toe te kennen niet in de Unie kunnen verblijven. Naar het oordeel van de Raad leidt de weigering van kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2020 er niet toe dat de kinderen van appellante geen menswaardig bestaan leiden en dat hun grondrechten zijn geschonden. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken