CRvB 20 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:149
Naar het oordeel van de Raad leidt de weigering van kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2019 er niet toe dat de kinderen van appellante geen menswaardig bestaan konden leiden en dat hun grondrechten zijn geschonden. Appellante en de kinderen logeerden eerst bij een vrienden, werden later in de crisisopvang opgevangen en kregen geld om van te leven. Weliswaar kan een recht op kinderbijslag leiden tot een recht op kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop en dus tot een substantieel bedrag per maand, maar deze gezinsbijslagen zijn geen basisvoorzieningen of laatste financieel vangnet die noodzakelijk zijn voor het leiden van een menswaardig bestaan. De Raad tekent hierbij aan dat appellante met ingang van het vierde kwartaal van 2019 als ingezetene van Nederland is aangemerkt en zij vanaf dat moment aanspraak kon maken op deze gezinsbijslagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:661
- CRvB 22 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:910
- CRvB 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:652
- CRvB 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:662
- CRvB 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351
- CRvB 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182
- CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877
- HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:277
- CRvB 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908
- CRvB 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5795
- HR 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285
- HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:771
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:124
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:354
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:197
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:602