CRvB 2 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3136

Dagloon WAO-uitkering juist vastgesteld. Uit de tekst van artikel 40, eerste lid, van de WAO en de toelichting daarop blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dat het dagloon van de WAO-uitkering na het voldoen aan de ontstaansvoorwaarden voor een (nieuw) recht op WAO-uitkering wordt verhoogd, indien de verzekerde met nieuwe arbeid gemiddeld per dag meer verdiende dan met de arbeid waaruit het (eerste) recht op WAO-uitkering is ontstaan, en dat bij deze vergelijking de WAO-uitkering zelf niet wordt meegeteld. Dit is een door de wetgever nagestreefd legitiem doel dat aansluit bij de inkomensbescherming die de WAO biedt. De regeling garandeert dat het verlies aan verdienvermogen dat voorwerp vormde van de WAO-verzekering ten tijde van de eerste uitval gedekt blijft en voorziet daarnaast in een verzekering van het loon bij werkhervatting, indien dat hoger is dan het loon voor de eerste uitval (vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1027). Van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de wet is geen sprake. Alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of artikel 1 van het Eerste Protocol is geschonden, dient eerst te worden beoordeeld of er sprake is van “possessions”. Op 1 juli 2013 kon appellante geen rechten ontlenen aan het tot dat moment geldende artikel 40, eerste lid, van de WAO. Van ontneming van een bestaand recht op een hogere WAO-uitkering als gevolg van de wetswijziging per 1 juli 2013 is dan ook geen sprake. Geen sprake van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken