CRvB 30 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1683

Aanvraag om voor het kalenderjaar 2017 in aanmerking te komen voor een extra bedrag aan kinderbijslag als bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de AKW, terecht afgewezen. Niet voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 7a, tweede lid, van de AKW. Appellant en zijn partner hadden in 2017 allebei een hoger belastbaar loon dan toegestaan. De rechter mag niet treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Van de omstandigheid dat fiscaal partners met een aanzienlijk hoger gezinsinkomen dan appellant en zijn partner wel in aanmerking kunnen komen voor de tegemoetkoming indien één van hen een inkomen onder de toetsingsgrens ontvangt, kan niet gezegd worden dat die niet is verdisconteerd in de keuze die de wetgever heeft gemaakt. De beroepsgrond dat de inkomenstoets genoemd in artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder b, van de AKW buiten toepassing zou moeten blijven, slaagt dus niet. Het onderscheid tussen aanvragers met of zonder fiscale partner is geen “verdacht” onderscheid, zodat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Dit temeer waar het in dit geval gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid. Geen strijd met artikel 26 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken