CRvB 3 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9462
De Svb heeft het ouderdomspensioen van appellant beëindigd op de aan art. 8b AOW ontleende grond dat appellant gedetineerd is. Raad: Evenals de Rb. is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit leidt tot een inbreuk op het eigendomsrecht van appellant, maar niet tot schending van art. 1 van het Eerste Protocol. De door appellant aangevochten inbreuk op zijn eigendomsrecht is bij wet voorzien, nu deze inbreuk direct volgt uit toepassing van het dwingendrechtelijke art. 8b van de AOW. Tot art. 8b van de AOW per 1 juli 2009 in werking trad, werd er onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant gedetineerden met een uitkering, die ingevolge de Wsg gedurende detentie wordt stopgezet, en aan de andere kant gedetineerden met een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Tot dat moment voorzag de AOW namelijk niet in de beëindiging van ouderdomspensioenen gedurende detentie. Toepassing van de Wsg leidt volgens vaste rechtspraak in overwegende mate niet tot schending van art. 1 van het Eerste Protocol (CRvB 18 juni 2004, LJN: AP4680;12 november 2004, LJN: AR6512, 14 juli 2005, LJN: AT9595 en 2 december 2005, LJN: AU7320). Uit de MvT bij art. 8b van de AOW (Kamerstukken II, 31 525, nr. 3) is af te leiden dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het onderscheid tussen gedetineerden met een ouderdomspensioen en gedetineerden met andere sociale uitkeringen op te heffen, omdat het de bedoeling van de wetgever is dat voortaan geen enkele categorie gedetineerden gedurende detentie vermogen op kan bouwen dankzij uit de collectieve middelen bekostigde uitkeringen. De Raad acht dit een legitiem doel dat mede kan worden nagestreefd door toepassing van art. 8b van de AOW. Er is dan ook geen grond om de toepassing van art. 8b van de AOW in het kader van een toetsing aan het Eerste Protocol anders te beoordelen dan de toepassing van de Wsg. Met betrekking tot de stelling van appellant, dat hij recht heeft op een volledig ouderdomspensioen over de periode waarin hij gedetineerd was omdat hij zijn hele arbeidzame leven premies heeft betaald, merkt de Raad op dat de AOW is gebaseerd op een omslagstelsel. Met de premies voor de AOW die appellant gedurende zijn arbeidzame leven heeft betaald zijn derhalve ouderdomspensioenen bekostigd van verzekerden voor de AOW die de pensioengerechtigde leeftijd eerder hebben bereikt dan appellant. Het ouderdomspensioen van appellant wordt bekostigd uit de premies voor de AOW die moeten worden opgebracht door de huidige generaties werkenden en uit andere collectieve middelen. Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan art. 8b van de AOW een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van art. 8b van de AOW voor appellant leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is niet gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl