CRvB 10 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2306
Voor zover de stellingen van appellant zijn gericht tegen de vermelding van de toekomstige AOW-leeftijd in het pensioenoverzicht, heeft de Raad in de uitspraak van 18 juli 2016 (noot 3) geoordeeld dat deze vermelding een mededeling is van informatieve aard die in het kader van een pensioenoverzicht niet gericht is op rechtsgevolg en daarom voor dat deel geen besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen. Voor zover de stellingen van appellant zijn gericht tegen de vaststelling van de aanvangsleeftijd van de pensioenopbouw, kan de Raad zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. De klacht van appellant over de gang van zaken op de zitting bij de rechtbank, vat de Raad op als een beroep op het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het betoog van appellant dat hij vanwege het gebruik van een mobiele telefoon door de Svb ter zitting van de rechtbank geen eerlijk proces heeft gehad, wordt niet gevolgd. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl