CRvB 21 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5123

Brief waarbij appellant heeft verzocht om vergoeding van de extra kosten die zijn gemaakt vanwege de verzorging en verpleging thuis van zijn echtgenote, in de periode voorafgaande aan haar overlijden. Zij was vervolgde en uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wuv. Bij brief heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Daartoe is overwogen dat een wettelijke titel voor toekenning ontbreekt, omdat aanspraken op grond van de Wuv persoonsgebonden zijn voor het in leven zijnde oorlogsslachtoffer. De Raad overweegt dat het inleidend verzoek van appellant strekt tot vergoeding van kosten die zijn gemaakt ten behoeve van zijn inmiddels overleden echtgenote. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant bij dit verzoek geen belanghebbende is in de zin van art. 1:2 Awb (CRvB 16 maart 2006, LJN: AV7750). Het verzoek van appellant is daarom geen aanvraag in de zin van art. 1:3, lid 3 Awb. Dit betekent dat de brief van verweerder geen beschikking is als bedoeld in het tweede lid. Een afwijzing zoals deze is naar haar aard ook niet gericht op rechtsgevolg. De brief is dus geen besluit. Op grond van art. 6:2, aanhef en onder a, van de Awb moet de brief echter, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, met een besluit gelijk worden gesteld. De wetsgeschiedenis stelt buiten twijfel dat dit artikelonderdeel mede betrekking heeft op de schriftelijke afwijzing van een verzoek van een niet-belanghebbende om een besluit te nemen (PG Awb II, p. 383-384). Bij het nemen van het bestreden besluit is dit niet onderkend. Toch is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb staat bezwaar alleen open voor een belanghebbende. Dat is appellant niet. Ook de hiervoor bedoelde wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat in deze situatie niet-ontvankelijkverklaring moet volgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen