Rb. Rotterdam 14 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7034
ACM heeft het handhavingsverzoek van eiseres 1 jegens Alliander afgewezen, voorzover het zich richt op de activiteiten van HOOM en EXE. Voor zover het handhavingsverzoek van eiseres 1 zich richt tegen de activiteiten van MPARE neemt ACM daarop geen besluit, nu eiseres 1 in zoverre geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 Awb. Dit besluit is in geschil. Het beroep van eiseres 2 voor zover gericht tegen het weigeren of het nalaten om inhoudelijk op het handhavingsverzoek van eiseres 1 ten aanzien van Allego te beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseressen tegen het weigeren of het nalaten om inhoudelijk op het handhavingsverzoek van eiseres 1 ten aanzien van MPARE te beslissen is niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ACM terecht geconcludeerd dat er op voorhand geen grond bestaat om de voorgenomen activiteiten van EXE in strijd met het groepsverbod te achten. ACM is naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de activiteiten van HOOM en EXE moeten worden aangemerkt als toelaatbare aanverwante activiteiten. De rechtbank is van oordeel dat ACM in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen om geen bindende gedragslijn op te leggen. De conclusie is dat het beroep voor het overige ongegrond is.
De uitspraak op rechtspraak.nl