CRvB 25 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1276

Appellante is wegens zeer ernstig plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van art. 13.6, lid 1, aanhef en onder f, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam. Het plichtsverzuim bestaat uit het verduisteren van een bedrag van circa € 13.000,- en overtreding van de dienstregels. Raad: De vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (CRvB 3 juni 2010, LJN: BM8443) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of appellante de ontoelaatbaarheid van dat bedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Gelet op de constatering van de psychiater dat de drang of dwang van appellante, waardoor zij niet kon stoppen met het verduisteren van geld, een uiting was van een destructieve kracht die behoort bij de pathologische toestand van een depressie met OCD kenmerken, deelt de Raad de conclusie van het college dat het plichtsverzuim appellante verminderd is toe te rekenen. De Raad is van oordeel dat ook al wordt de verminderde toerekenbaarheid meegewogen, het strafontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

De uitspraak op rechtspraak.nl