CRvB 20 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3318
Voorliggende voorziening. Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). Beoordelingsverplichting COA. Bevoegdheid bijstandsverlening. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006, LJN AV0197, is aan appellant, een minderjarige met de Sierra Leoonse nationaliteit, periodieke bijstand verleend. Met ingang van 1 januari 2007 is hem een financiële toelage voor zijn bestaanskosten verleend op basis van de door de COA uitgevoerde Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). Deze regeling vormt een passende en toereikende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB en staat in beginsel aan (gedeeltelijke) voortzetting van bijstandsverlening aan appellant in de weg. In lijn met de uitspraak van 19 april 2010, LJN BM1992, rust de verplichting van de Staat om in de omstandigheden van appellant recht te doen aan artikel 3, eerste en tweede lid en artikel 27, derde lid, van het IVRK op het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Het COA dient dan ook te beoordelen of de aan appellant verleende toelage op grond van de Rvb toereikend is. Het College is niet bevoegd om de verlening van bijstand vanaf 1 januari 2007, met toepassing van artikel 16, eerste lid, en met voorbijgaan aan artikel 16, tweede lid, van de WWB, gedeeltelijk voort te zetten.
De uitspraak op rechtspraak.nl