CRvB 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2155

Beëindiging bijstand. Ten aanzien van het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 1 van het EP bij het EVRM, stelt de Raad vast dat, anders dan hij heeft geoordeeld in bijvoorbeeld zijn uitspraak van 3 oktober 2007, LJN BB4816, bij de beëindiging of intrekking van een uitkering als hier aan de orde het eigendomsrecht als gewaarborgd in artikel 1 van het EP in het geding is, zodat die beëindiging of intrekking aan die bepaling kan worden getoetst (vgl. EHRM 15 december 2009, nr. 18176/05 (Wieckzorek versus Polen). Dat brengt mee dat de beëindiging moet steunen op de wet , 'be in the public interest and pursue a legitimate aim by means reasonably proportionate to the aim sought to be realised' (EHRM 15 september 2009, t.a.p., r.o. 50). In het onderhavige geval gaat het met name om dit laatste vereiste, wat meebrengt dat de beëindiging geen 'individual and excessive burden' voor de betrokkene mag opleveren. Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval. Appellant voldoet immers niet meer aan de voorwaarden welke recht geven op een bijstandsuitkering, zodat, ook getoetst aan artikel 1 van het EP, de uitkering in beginsel beëindigd mag worden. Geen bijzondere omstandigheden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen