CRvB 15 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3847
Afwijzing verzoek van appellante deelname aan de vrijwillige AOW/Anw verzekering, omdat de premie voor vrijwillige verzekering AOW/Anw niet betaald is binnen de gestelde termijn door de (inmiddels overleden) echtgenoot. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat pas van een beëindiging sprake kan zijn als de Svb ter zake een besluit heeft genomen. De Raad stelt vast dat in artikel 63e van de ANW en in KB 720 geen sprake is van een direct onderscheid naar nationaliteit in die zin dat een Nederlandse uitkeringsgerechtigde anders wordt behandeld dan een Marokkaanse uitkeringsgerechtigde. Door in een ander land te gaan wonen, onderwerpt men zich aan de verantwoordelijkheden die de overheid van dat land zich tot doel heeft gesteld en derhalve ook aan de wet- en regelgeving van dat land, aldus de regelgever. De Raad heeft reeds eerder - zie de uitspraak van de Raad van 24 december 2003 (LJN AO2909) -geoordeeld dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht met de mogelijkheid tot een aansluitende vrijwillige verzekering, is geschikt en proportioneel. De Raad wijst er op dat de situatie van appellante wordt beheerst door een juridisch regime dat in betekenende mate afwijkt van het stelsel van rechtsregels dat in de zaak Van Pommeren van toepassing was nu personen als - de overleden echtgenoot van - appellante geen aanspraak kunnen maken op vrij verkeer tussen Marokko en de lidstaten van de Europese Gemeenschap. Naar het oordeel van de Raad was de besluitwetgever dan ook bevoegd om, zonder schending van enige rechtsregel, appellant niet onder het bereik van KB 720 te laten vallen.
De uitspraak op rechtspraak.nl