CRvB 12 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3546
Afwijzing aanvraag om een ANW-uitkering. Daartoe heeft de Svb overwogen dat appellante niet kan worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de ANW omdat haar echtgenoot op de datum van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de ANW. Tussen partijen is niet in geschil dat echtgenoot op het moment van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was ingevolge de ANW of ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. Ter beantwoording ligt daarom slechts voor de vraag of artikel 26, zesde lid van het KB 746, waarbij is bepaald dat artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen, wegens strijd met een direct werkende bepaling van een internationaal verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel wegens strijd met het vertrouwensbeginsel, buiten toepassing moet worden gelaten. Met betrekking tot het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 december 2005 (LJN AU8520) en 6 april 2007 (LJN BA2500). In deze uitspraken heeft de Raad overwogen dat personen van wie de verplichte ANW-verzekering is geëindigd, in de gelegenheid zijn gesteld zich aansluitend vrijwillig te verzekeren tegen een premie die wordt berekend naar het daadwerkelijk genoten inkomen. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat, voor zover de verzekering ingevolge de ANW zou kunnen worden gekwalificeerd als een eigendomsrecht, voor het ontnemen hiervan op deze wijze een toereikende compensatie is geboden. Daarbij merkt de Raad op dat uit de gedingstukken noch anderszins blijkt dat de wijze waarop de premies voor de vrijwillige verzekering afgedragen moeten worden speciaal voor echtgenoot zo onevenredig belastend was, dat geconcludeerd zou moeten worden dat die vrijwillige verzekering daarom in zijn specifieke geval geen adequate compensatie bood voor het verlies van de verplichte verzekering. De Raad neemt hierbij tevens in aanmerking dat [echtgenoot] zich in 2000 tijdig en adequaat heeft aangemeld en ook is geaccepteerd voor de vrijwillige ANW-verzekering en dat hij genoegzaam is geïnformeerd over het feit dat de premie niet kon worden ingehouden op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bovendien heeft hij de premie over 2000 wel betaald en geen rechtsmiddelen aangewend tegen het beëindigingsbesluit van 29 september 2003. Ook overigens is voldaan aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol gestelde voorwaarden, zodat geen sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Wat betreft het beroep van appellante op diverse internationale verdragen en supranationale regelingen, welke beroep in hoger beroep nader is onderbouwd met het rapport van 28 oktober 2008 van het Juridisch Expertisebureau Clarior, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 juni 2009 (LJN BJ3847) waarin de Raad het volgende heeft overwogen. De Raad heeft reeds vele malen eerder - zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 december 2003 (LJN AO2909) - geoordeeld dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht met de mogelijkheid tot een aansluitende vrijwillige verzekering, is geschikt en proportioneel. Vervolgens rijst de vraag of de naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, C-227/03, Van Pommeren-Bourgondiën (hierna: Van Pommeren), in KB 720 opgenomen - tijdelijke - uitzondering op de hoofdregel, gelijkelijk voor appellante dient te gelden. De Raad stelt vast dat die (in artikel 63e van de ANW, in verbinding met artikel 3 van het KB 720 getroffen) regeling, een uitzondering is op de hoofdregel van de uitsluitend op ingezetenschap gebaseerde verplichte verzekering, teneinde de verzekeringspositie van bepaalde categorieën voorheen verplicht verzekerden in overeenstemming te brengen met artikel 39 van het EG-Verdrag.
De uitspraak op rechtspraak.nl