CBb 1 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:554
artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet artikel 103a in samenhang gelezen met artikel 103b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Niet langer tussen partijen is in geschil dat de fosfaatruimte van appellante in het bestreden besluit te laag is vastgesteld. Verweerder heeft ter zitting erkend dat in samenhang bezien uit de analyserapporten voldoende aannemelijk is geworden dat perceel 5/5a volledig is bemonsterd en in categorie grasland laag valt. Het beroep op de startersregeling faalt. Appellante is geen nieuw bedrijf gestart, maar heeft alleen het aantal stuks melkvee willen uitbreiden. Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. Niet kan worden vastgesteld of appellante op de peildatum beschikte over alle voor het houden van de gewenste dieraantallen op deze locatie benodigde vergunningen. Indien appellante op de peildatum al beschikte over alle benodigde vergunningen acht het College, gezien het tijdstip waarop de investeringen (2014) zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren niet navolgbaar. Het College volgt appellante niet in haar standpunt dat de voorzienbaarheid van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel haar gelet op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 maart 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:1050) niet langer kan worden tegengeworpen. De beroepsgrond dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd, slaagt. Uit het bestreden besluit volgt niet hoe de berekening van de fosfaatruimte door verweerder tot stand is gekomen. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen de gelegenheid gegeven om nadere stukken te overleggen. Partijen hebben hier gebruik van gemaakt. Verweerder heeft op de tweede zitting erkend dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en heeft zijn standpunt over de fosfaatruimte en de classificering van het perceel 5/5a aangepast. Bovendien stelt het College vast dat verweerder pas in het verweerschrift heeft gereageerd op de melding nieuw gestart bedrijf van 22 maart 2018. Het College is van oordeel dat het ook bij de toepassing van artikel 72, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit, gaat om een besliscomponent die verweerder behoort te betrekken bij de vaststelling van het fosfaatrecht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Midden-Nederland 24 maart 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1050
- CBb 18 augustus 2020, ECLI:NL:CBB:2020:558
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:5
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522