CBb 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:784
artikel 1, eerste lid, onder ll, onder 1°, van de Meststoffenwet artikel 1, eerste lid, onder m, van de Meststoffenwet artikel 21b, van de Meststoffenwet artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet artikel 33Ab, van de Meststoffenwet artikel 72b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Fosfaatrechten. Niet grondgebonden, terecht de generieke korting toegepast. Bij de vaststelling van het fosfaatrecht en de vraag of iemand als grondgebonden moet worden aangemerkt wordt alleen rekening gehouden met de landbouwgrond die in Nederland is gelegen. De percelen van appellante die in Duitsland liggen, tellen daarvoor dus niet mee. Van een willekeurige voorwaarde, of strijd met het gelijkheidsbeginsel, is geen sprake. Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. Generieke korting geldt voor alle melkveehouders, zodoende geen individuele last voor appellante. Het College is in het geval van appellante ook niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan zij de korting niet zelf zou moeten kunnen dragen, zoals dat ook van andere bedrijven die generiek worden gekort wordt verwacht. Voor zover appellante ervan uit is gegaan dat zij als grondgebonden zou worden aangemerkt, heeft zij dat op eigen risico gedaan. Uit het feit dat in het kader van de mestverwerking in de Msw een uitzondering is gemaakt voor grensboeren, heeft zij niet af mogen leiden dat dit ook zou gebeuren bij de bepaling van de grondgebondenheid in het kader van het fosfaatrechtenstelsel. In bezwaar heeft appellante aangetoond dat verweerder wat betreft de melkproductie is uitgegaan van onjuiste gegevens. Daarmee is naar het oordeel van het College aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voldaan. Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt gehonoreerd. Berekening aan de hand van de methode die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 33 AB
- Artikel 1 Meststw
- Artikel 21b Meststw
- Artikel 23 Meststw
- Artikel 33a Meststw
- Artikel 38 Meststw
- Artikel 6:22 Awb
- Artikel 7:12 Awb
- Artikel 7:15 Awb
- Artikel 8:88 Awb
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 14 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 2 BUPO
- Artikel 5 BUPO
Aangehaalde uitspraken
- CBb 17 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:163
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114
- CBb 17 december 2019, ECLI:NL:CBB:2019:677
- CBb 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:624
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:5
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252