CBb 28 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:56
Msw. Fosfaatrechten. Geen knelgeval. Geen individuele en buitensporige last. Het College stelt vast dat het aantal fosfaatrecht in het bestreden besluit onjuist is vastgesteld, omdat dat twee op de peildatum afgevoerde dieren in diercategorie 101 dienen te worden meegerekend bij de vaststelling van het fosfaatrecht van appellante. Het beroep slaagt op dit punt. Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw, slaagt niet. Hoewel sprake was van een dierziekte op het bedrijf van appellante, voldoet zij niet aan de voorwaarde dat op 2 juli 2015 het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager was als gevolg van deze bijzondere omstandigheid. Verweerder heeft een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling door uit te gaan van een vóór 2 juli 2015 gelegen alternatieve peildatum. Appellante heeft aan de hand van een financieel overzicht over 2014 tot 2018 toegelicht dat als gevolg van de dierziekte en het tekort aan fosfaatrechten sprake is van een verlieslatend bedrijf. Op zichzelf genomen betekent dat niet dat appellante reeds om die reden een individuele en buitensporige last draagt. Ten aanzien van de mate waarin appellante stelt te zijn geraakt door het fosfaatrechtenstelsel moet bovendien worden vastgesteld dat niet duidelijk is geworden in hoeverre de melkrobot en de daarmee gemoeide investeringen door het fosfaatrechtenstelsel worden geraakt. Voorts heeft te gelden dat, voor zover met verweerder moet worden aangenomen dat appellante op basis van de vergunde situatie op de peildatum maximaal 175 melk- en kalfkoeien en 165 stuks jongvee mocht houden omdat niet is gebleken dat aan het voorschrift in de Nbw-vergunning is voldaan, appellante met het doen van haar investeringen is vooruitgelopen op de voor de volledige uitbreiding benodigde vergunning die ziet op het houden van 274 melk- en kalfkoeien en 250 stuks jongvee. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7) bestaat dan in beginsel geen aanleiding een individuele en buitensporige last aan te nemen. Maar voor zover al met appellante moet worden aangenomen dat zij op de peildatum aan het betreffende voorschrift van de Nbw-vergunning voldeed en daarmee de door haar beoogde dieraantallen op de peildatum mocht houden, moet worden geoordeeld dat op het tijdstip dat appellante haar investeringsverplichtingen is aangegaan (mei 2015), zij een zekere mate van voorzichtigheid had moeten betrachten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291
- CBb 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:5
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:523