CBb 17 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:833

Msw. Fosfaatrechten. Meststoffenwet: artikel 21a, vierde lid, artikel 23, derde lid, artikel 35, eerste lid, onder a, artikel 35, tweede lid, onder a, c en d. Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet: artikel 66, tweede lid. Uitvoeringsregeling Meststoffenwet: artikel 74, tweede lid. Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: artikel 1. Appellante exploiteert een kaasboerderij en is een 100% zelfzuivelaar. Appellante heeft plannen om de bedrijfsvoering te wijzigen en, onder andere, een melkveehouderij te gaan exploiteren. Appellantes fosfaatrecht is aanvankelijk vastgesteld op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet en vervolgens herzien op grond van artikel 74, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Naar het oordeel van het College is geen sprake van onverbindendheid van artikel 74, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling wegens strijd met de Msw of het Uitvoeringsbesluit. Verweerder had moeten motiveren waarom de herziening van het fosfaatrecht volgens hem in dit geval niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Bij de toets aan het rechtszekerheidsbeginsel neemt het College in aanmerking dat verweerder aanvankelijk het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht wel heeft vastgesteld op basis van werkelijke melkproductiegegevens. Verweerder heeft uitdrukkelijk de gegevens van appellante over de melkproductie en de daaraan ten grondslag liggende bewijsstukken aanvaard en, zonder enig voorbehoud, op basis daarvan het fosfaatrecht vastgesteld. Gesteld noch gebleken is dat deze gegevens niet juist zijn. Verweerder heeft er bewust voor gekozen voorafgaand aan het vaststellen van fosfaatrechten bij het primaire besluit niet te controleren op de toepasselijkheid van artikel 74, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Verweerder beschikt, naar ter zitting is gebleken, niet over een register van deze bedrijven. Verweerder is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat artikel 74, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling daadwerkelijk is toegepast op alle bedrijven die onder de werkingssfeer van deze bepaling vallen. Omdat onvoldoende vaststaat dat sprake is van een consistente uitvoeringspraktijk, kan aan het gegeven dat het om een dwingendrechtelijke bepaling gaat niet de betekenis toekomen die verweerder er aan gehecht wil zien, te weten dat geen afwijking mogelijk is en herziening daarom noodzakelijk is om een fout in de uitvoering te corrigeren. Het College stelt vast dat het verlies van 2.488 kg aan fosfaatrechten ingrijpende gevolgen heeft voor appellante. Verweerder heeft de door appellante gestelde financiële gevolgen op zichzelf niet betwist. Ook heeft verweerder niet betwist dat de omschakelingsplannen van appellante, die zij heeft afgestemd op de haar aanvankelijk op basis van werkelijke productie toegekende fosfaatrechten, daardoor in wezen onmogelijk worden gemaakt. Hieruit volgt dat het rechtszekerheidsbeginsel in dit geval ertoe noopt artikel 74, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling buiten toepassing te laten. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Het College voorziet zelf in de zaak door het herzieningsbesluit te herroepen, zodat het primaire besluit herleeft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken