CBb 2 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:379

Accountantstucht. Klacht is ingediend door de (ex)echtgenote van de betreffende accountant en heeft betrekking op diens optreden in de echtscheidingsprocedure. Primair betoog van de accountant, dat het door de (ex)echtgenote ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk is nu zij de gronden waarop het hoger beroep berust niet binnen de hoger beroepstermijn van zes weken heeft ingediend, wordt verworpen. Het College is van oordeel dat de (ex)echtgenote terecht de mogelijkheid is geboden om het aan het beroepschrift klevende verzuim (het niet bevatten van de beroepsgronden) te herstellen. De ingestelde hoger beroepen zijn gedeeltelijk gegrond: enkele klachtonderdelen zijn te laat (meer dan drie jaar nadat de (ex)echtgenote van het betreffende handelen/nalaten op de hoogte is geraakt) ingediend, enkele andere klachtonderdelen zien op privé-handelingen, die, voor zover deze hebben plaatsgevonden na 1 mei 2009, niet tuchtrechtelijk kunnen worden getoetst. Het College verwijst hier naar zijn eerdere uitspraak van 11 oktober 2012. Daarbij is groot belang gehecht aan de duidelijke tekst van artikel 33, eerste lid, Wet RA en artikel 51, eerste lid, Wet RA. Daaraan doet de latere (memorie van toelichting bij de) Wet op het accountantsberoep niet af. Aangezien één van de door de accountantskamer gegrond verklaarde klachtonderdelen alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard legt het College een lichtere maatregel op dan de accountantskamer had gedaan: het College legt de tijdelijke maatregel op van tijdelijke doorhaling voor de duur van drie weken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken