CBb 7 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:546
Accountantstucht. Appellant heeft een klacht tegen de accountant ingediend naar aanleiding van een door de accountant in opdracht van de curator uitgevoerd financieel onderzoek naar, verkort weergegeven, de financiële administratie van twee gefailleerde ondernemingen van appellant. Volgens appellant heeft de accountant, voor zover hier van belang, in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van objectiviteit en het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In hoger beroep ligt allereerst de vraag voor of appellant ontvankelijk is in zijn hoger beroep, omdat appellant de gronden van zijn hoger beroep één dag later, te weten de dag na Tweede Pinksterdag, had ingediend dan de termijn die het College hem had gegund na indiening van zijn pro forma hogerberoepschrift. Het College is onder toepassing van artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet van oordeel dat appellant zijn hogerberoepsgronden tijdig heeft ingediend en dat hij dus ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De door appellant aangevoerde hogerberoepsgronden slagen niet. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl