CBb 8 september 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BN6785
Heffing Productschap Tuinbouw. Overschrijding redelijke termijn. Rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder heeft appellanten bij besluit van 24 december 2008 terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar, vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding. In het aan verweerder gerichte verzoek om de tegen de heffing gerichte bezwaren "ambtshalve in behandeling te nemen" leest het College geen herhaalde aanvraag of een verzoek om heroverweging als bedoeld in artikel 4:6 Awb. Appellanten hebben voorts een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het College heeft eerder geoordeeld dat productschapheffingen beschouwd dienen te worden als belastingen en dat, indien geen sprake is van een "criminal charge" of een "criminal connotation", artikel 6 EVRM op geschillen als de onderhavige niet van toepassing is. Het College overweegt vervolgens dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer geldt binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit rechtszekerheidsbeginsel noopt er toe dat een geschil binnen een redelijke termijn tot finale vaststelling leidt. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt spanning en frustratie als grond voor de vergoeding van immateriële schade verondersteld. De overschrijding van de redelijke termijn, van bijna 2 jaar en 8 maanden, wordt aan verweerder toegerekend. De door appellanten geleden immateriële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld op € 3.000,--.
De uitspraak op rechtspraak.nl