Hof 's-Hertogenbosch 15 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:550

Procesrecht. Overschrijding redelijke termijn. Immateriële schadevergoeding. De zaak is in een eerder stadium door het Hof teruggewezen naar de Inspecteur, die het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet ontvankelijk had verklaard. De Rechtbank is van oordeel – naar analogie met het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.5 – dat in een dergelijk geval de redelijke termijn na terugwijzing is overschreden indien de Rechtbank niet binnen anderhalf na de terugwijzing uitspraak doet. Daarbij is de Rechtbank ervan uitgegaan dat de Inspecteur binnen een half jaar (opnieuw) uitspraak op bezwaar moet doen en de Rechtbank vervolgens binnen een jaar uitspraak moet doen. De Staat is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof kent bij de beoordeling doorslaggevend belang toe aan de omstandigheid dat bij terugwijzing in de meeste gevallen het geschil weer in volle omvang voorligt en is dan ook van oordeel dat na terugwijzing in beginsel dient te worden uitgegaan van een termijn van twee jaren – en dus niet anderhalf jaar – voor de behandeling van het bewaar en beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken