Gerecht EU 22 april 2026, T-682/24, ECLI:EU:T:2026:276
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
22 april 2026 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregeling – Misbruik van machtspositie – Energiedrankensector – Door de Commissie gelaste inspectie – Artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 – Voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie – Weigering van de Commissie om een deel van de kosten van die inspectie te vergoeden – Begrip ‚aanvullende kosten die uitsluitend het gevolg zijn van de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie’”
In zaak T‑682/24,
Red Bull GmbH, gevestigd te Fuschl am See (Oostenrijk),
Red Bull France SASU, gevestigd te Parijs (Frankrijk),
Red Bull Nederland BV, gevestigd te Soesterberg (Nederland),
vertegenwoordigd door H. Wollmann, F. Urlesberger, J. Schindler, F. Dethmers en A. Visontai-Knor, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Franchoo, M. Jakobs en I. Naglis als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: E. Buttigieg, president, J. Schwarcz, M. Kancheva (rapporteur), E. Tichy-Fisslberger en F. Bestagno, rechters,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 20 januari 2026,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, Red Bull GmbH en haar dochterondernemingen Red Bull France SASU en Red Bull Nederland BV, nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 23 oktober 2024 (zaak AT.40819), waarbij de Commissie gedeeltelijk heeft geweigerd de aanvullende kosten te vergoeden die zij stellen te hebben gemaakt als gevolg van de voortzetting van een op grond van artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) gelaste inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel (België) (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Red Bull France SASU en Red Bull Nederland BV zijn dochterondernemingen van Red Bull GmbH. Deze drie vennootschappen maken deel uit van de groep Red Bull (hierna: „Red Bull”) en zijn actief in de sector van de productie van energiedranken die zij in de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte (EER) in de handel brengen, met name onder het merk met dezelfde naam als deze groep.
Litigieuze inspectie
3 Bij besluit van 8 maart 2023 heeft de Commissie op grond van artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 een inspectie gelast die van 20 tot en met 24 maart 2023 in de bedrijfsruimten van verzoeksters te Fuschl am See (Oostenrijk), Parijs (Frankrijk) en Amsterdam (Nederland) heeft plaatsgevonden.
4 Tijdens de slotvergadering van de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters, die op 24 maart 2023 te Fuschl am See heeft plaatsgevonden, heeft de Commissie de vertegenwoordigers van Red Bull in kennis gesteld dat zij de inspectie in haar kantoren te Brussel zou voortzetten, teneinde de gekopieerde documenten en de later door verzoeksters te verstrekken aanvullende gegevens te onderzoeken.
5 De inspectie heeft van 14 tot en met 20 juni 2023 en van 29 augustus tot en met 29 september 2023 in de kantoren van de Commissie te Brussel plaatsgevonden.
Briefwisseling tussen partijen voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden besluit
6 Bij brief van 25 januari 2024 heeft de Commissie verzoeksters in kennis gesteld van de mogelijkheid om een gemotiveerd verzoek in te dienen voor de vergoeding van de aanvullende kosten die door de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel waren veroorzaakt. Bij deze brief was een document gevoegd met het opschrift „Beginselen voor de vergoeding van aanvullende kosten in geval van voortgezette inspectie in de kantoren van de Commissie”.
7 Op 25 april 2024 hebben verzoeksters bij de Commissie een verzoek ingediend tot vergoeding van de aanvullende kosten die voortvloeiden uit de voortzetting van de inspectie in haar kantoren te Brussel. Met dit verzoek hebben verzoeksters vergoeding gevorderd voor de reis‑ en verblijfkosten van hun werknemers en advocaten die aanwezig waren in Brussel, de aan die werknemers betaalde dagvergoedingen en alle honoraria van hun advocaten, met inbegrip van de honoraria die in rekening zijn gebracht door een tweede advocatenkantoor, dat naast het Oostenrijkse kantoor dat hen gewoonlijk vertegenwoordigde, gemachtigd was.
8 Vervolgens vond er een uitgebreide briefwisseling plaats tussen verzoeksters en de Commissie, totdat het bestreden besluit werd vastgesteld.
Bestreden besluit
9 Op 23 oktober 2024 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.
10 In het bestreden besluit heeft de Commissie allereerst haar standpunt in herinnering gebracht, onder verwijzing naar een aantal van haar eerdere brieven, te weten dat zij alleen verplicht was de aanvullende kosten te vergoeden die de geïnspecteerde onderneming uitsluitend als gevolg van de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie had gemaakt, dus met uitsluiting van de kosten die hoe dan ook zouden zijn gemaakt indien de inspectie in de bedrijfsruimten van deze onderneming was voortgezet, zoals de advocatenhonoraria. De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat dit standpunt overeenstemt met de benadering in het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571, punt 90).
11 Wat meer in het bijzonder de advocatenhonoraria betreft, heeft de Commissie onder verwijzing naar een aantal van haar eerdere brieven eraan herinnerd dat Red Bull tijdens de inspectie van maart 2023 in haar bedrijfsruimten voortdurend een beroep had gedaan op advocaten om haar bij te staan, zodat de advocatenhonoraria die in het kader van de voortzetting van de inspectie te Brussel waren gemaakt, niet als vergoedbare aanvullende kosten mochten worden beschouwd. De Commissie heeft er ook op gewezen dat verzoeksters in sommige brieven zelf hadden erkend dat zij een beroep op advocaten zouden hebben gedaan indien de inspectie in hun bedrijfsruimten was voortgezet. Bijgevolg heeft de Commissie besloten de door Red Bull ingediende advocatenhonoraria niet te vergoeden.
12 Wat ten slotte de overige kosten betreft, heeft de Commissie aangegeven dat zij bereid was alle gevorderde kosten te vergoeden op basis van de bedragen die Red Bull had meegedeeld in de Excel-spreadsheet die zij bij een van haar eerdere brieven had gevoegd.
Conclusies van partijen
13 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te veroordelen tot volledige vergoeding van de kosten waarop zij aanspraak maken; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
14 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
15 Allereerst moet de tweede vordering worden onderzocht, die ertoe strekt dat het Gerecht de Commissie veroordeelt tot volledige vergoeding van de kosten waarop verzoeksters aanspraak maken, en vervolgens de tweede vordering, die strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
Tweede vordering: veroordeling van de Commissie tot volledige vergoeding van de kosten waarop verzoeksters aanspraak maken
16 Met hun tweede vordering verzoeken verzoeksters het Gerecht om de Commissie te veroordelen tot volledige vergoeding van de kosten waarop zij aanspraak maken.
17 Vastgesteld moet worden dat een dergelijk verzoek er in essentie toe strekt dat het Gerecht de Commissie gelast om aan verzoeksters alle kosten te vergoeden waarop zij aanspraak maken.
18 Volgens vaste rechtspraak is de Unierechter echter niet bevoegd om in het kader van een op artikel 263 VWEU gebaseerde wettigheidstoetsing bevelen te geven aan de instellingen, organen en instanties van de Unie (zie arrest van 14 maart 2024, D & A Pharma/Commissie en EMA, C‑291/22 P, EU:C:2024:228, punt 160 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Bijgevolg moet de tweede vordering van verzoeksters wegens onbevoegdheid worden afgewezen.
Eerste vordering: nietigverklaring van het bestreden besluit
20 Ter ondersteuning van hun verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit voeren verzoeksters vier middelen aan. Met hun eerste middel stellen zij dat de Commissie ten onrechte heeft geweigerd om de kosten waarop zij aanspraak maken volledig te vergoeden, omdat de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel volgens hen onevenredig was. Met hun tweede middel voeren verzoeksters aan dat er sprake is van een ontoereikende motivering. Met hun derde middel betogen zij dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip „aanvullende kosten” die het gevolg zijn van de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel in de zin van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), en dat zij de feiten onjuist heeft beoordeeld, wat heeft geleid tot de weigering om de advocatenhonoraria volledig te vergoeden. Met hun vierde middel stellen verzoeksters dat hun rechten van de verdediging zijn geschonden.
21 Vooraf moet worden opgemerkt dat de Commissie in het bestreden besluit weliswaar heeft geweigerd om aan verzoeksters de gevorderde advocatenhonoraria te vergoeden, maar niettemin ermee heeft ingestemd om alle andere kosten te betalen waarvan vergoeding werd gevorderd in de door Red Bull meegedeelde -Excel-spreadsheet, te weten de reis‑ en verblijfkosten van de werknemers en advocaten die aanwezig waren in Brussel, alsmede de dagvergoedingen die deze groep aan die werknemers heeft moeten betalen (zie punt 12 hierboven). Hieruit volgt dat het bestreden besluit, althans gedeeltelijk, gunstig is voor verzoeksters.
22 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat uit vaste rechtspraak blijkt dat een door een natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring enkel ontvankelijk is indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld. Het procesbelang is dus de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte (zie arrest van 15 juni 2023, Shindler e.a./Raad, C‑501/21 P, EU:C:2023:480, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Nadat aan verzoeksters ter terechtzitting vragen zijn gesteld over hun procesbelang met betrekking tot de eerste vordering, hebben zij eerst in essentie verklaard dat die vordering aldus moest worden uitgelegd dat zij enkel nietigverklaring van het bestreden besluit vorderden voor zover de Commissie had geweigerd hun de gevraagde advocatenhonoraria te vergoeden, alvorens die verklaring vervolgens te corrigeren door te preciseren dat zij integendeel nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel vorderden, ook voor zover de Commissie had aanvaard om hun de andere kosten dan de advocatenhonoraria te vergoeden.
24 Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval is het Gerecht van oordeel dat het ambtshalve de vraag moet opwerpen of verzoeksters procesbelang hebben met betrekking tot hun vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel. Vastgesteld dient immers te worden dat de nietigverklaring van het bestreden besluit verzoeksters geen voordeel kan verschaffen dat de grondslag kan vormen voor een procesbelang in de zin van de in punt 22 hierboven aangehaalde rechtspraak voor zover de Commissie heeft aanvaard om hun de andere kosten dan de advocatenhonoraria te vergoeden (zie punt 21 hierboven).
25 Hieruit volgt dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit voor het deel waarin de Commissie heeft aanvaard om verzoeksters de andere kosten dan de advocatenhonoraria te vergoeden.
26 Wat de eerste vordering voor het overige betreft, zal het Gerecht eerst het vierde middel van verzoeksters onderzoeken, vervolgens het tweede middel en ten slotte het eerste en het derde middel.
Vierde middel: schending van de rechten van de verdediging
27 Ter ondersteuning van het vierde middel voeren verzoeksters drie grieven aan.
28 In de eerste plaats betogen verzoeksters dat een onderneming vrij haar verweer kan organiseren. Zij herinneren eraan dat uit artikel 6, lid 3, onder c), van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, volgt dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze. Verzoeksters leiden hieruit af dat het niet aan de Commissie staat om te beslissen wat een onderneming al dan niet nodig heeft voor haar verweer. Zij stellen dat zij wegens de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel gedwongen waren om een tweede advocatenkantoor in te schakelen. Verzoekers zijn van mening dat de Commissie, door een restrictieve opvatting van haar verplichting tot vergoeding van de aanvullende kosten, de aard en de omvang bepaalt van de verweermiddelen die de onderneming in kwestie moet kiezen. Door te weigeren hun de advocatenhonoraria te vergoeden die zijn veroorzaakt door de voortzetting van de inspectie te Brussel, heeft de Commissie dus hun vrijheid beperkt om de verweermiddelen te kiezen die zij noodzakelijk en passend achten.
29 In de tweede plaats betogen verzoeksters dat het „begrotingsrecht van de Europese Unie” niet op hen van toepassing is, zodat de Commissie daar niet naar kon verwijzen om te bepalen of de kosten van de verdediging waarvan zij om vergoeding verzochten, redelijk waren.
30 In de derde plaats verwijten verzoeksters de Commissie dat zij bij de bewijsvoering onevenredige eisen heeft gesteld met betrekking tot de vaststelling van de aanvullende kosten die zijn gemaakt als gevolg van de voortzetting van de inspectie in haar kantoren te Brussel. Om te bewijzen dat vier werknemers van Red Bull die aanwezig waren te Brussel bij de voortzetting van de inspectie maar zich niet naar de kantoren van de Commissie hadden begeven, daadwerkelijk aan de inspectie hadden deelgenomen, heeft deze instelling namelijk geëist dat zij verklaringen op erewoord ontvangt waarbij deze personen hun deelname aan de inspectie dienden te bevestigen. Gelet op de mogelijke strafrechtelijke gevolgen van valse verklaringen op erewoord, verwijten verzoeksters de Commissie dat zij een dergelijk hoge bewijsstandaard heeft opgelegd.
31 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters en stelt dat de eerste grief ongegrond is, de tweede grief niet ter zake dienend is en de derde grief niet ter zake dienend en niet-ontvankelijk is.
32 Wat in de eerste plaats de vermeende aantasting betreft van de vrijheid van verzoeksters om hun verweermiddelen te kiezen, moet worden vastgesteld dat hun in feite geenszins wordt belet om hun verweer bij de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel vrij te organiseren.
33 Uit de documenten die verzoeksters in het kader van de onderhavige procedure hebben overgelegd, blijkt immers dat zij ervoor hebben gekozen om in Brussel te worden bijgestaan, ten eerste, door een advocaat van het Oostenrijkse kantoor dat hun gewoonlijk bijstand verleent, waarbij die advocaat reeds aanwezig was bij de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters in Fuschl am See, ten tweede, door een of meer advocaten van een tweede kantoor, volgens de periode in kwestie, en ten derde, op bepaalde dagen door meerdere van hun werknemers. Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeksters, in tegenstelling tot hetgeen zij beweren, geenszins verplicht zijn geweest om een tweede advocatenkantoor in te schakelen om hen bij de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel te vertegenwoordigen. Verzoeksters hebben immers om eigen redenen zelf besloten om een beroep te doen op dat kantoor.
34 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters, in tegenstelling tot hetgeen zij betogen, hun verweer vrij hebben kunnen organiseren zonder dat de Commissie zich daarin heeft gemengd, hetgeen volstaat om de eerste grief van het vierde middel ongegrond te verklaren.
35 Wat in de tweede plaats de vermeende toepassing van het „begrotingsrecht van de Unie” door de Commissie op verzoeksters betreft, moet allereerst worden vastgesteld dat, hoewel verzoeksters in hun verzoekschrift verwijzen naar de door hen gemaakte „kosten van de verdediging”, deze grief in werkelijkheid geen betrekking heeft op de advocatenhonoraria waarvan de vergoeding in het bestreden besluit is geweigerd. Uit de briefwisseling tussen partijen vóór de vaststelling van het bestreden besluit, die door verzoeksters in het kader van de onderhavige procedure is overgelegd, blijkt immers dat de Commissie weliswaar heeft verwezen naar het „begrotingsrecht van de Unie” en dit zelfs heeft toegepast, maar dit alleen geldt voor de reis‑ en verblijfskosten en forfaitaire vergoedingen waarvan de terugbetaling is aanvaard, en niet voor de advocatenhonoraria.
36 Hieruit volgt dat deze grief in essentie gericht is tegen het bestreden besluit voor zover daarin wordt aanvaard om verzoeksters de andere kosten dan de advocatenhonoraria te vergoeden, zodat deze grief om de in de punten 21 tot en met 25 hierboven uiteengezette redenen niet-ontvankelijk is.
37 Wat in de derde plaats de grief betreft dat de Commissie verzoeksters onevenredige eisen heeft opgelegd wat de bewijsvoering betreft in het kader van de vaststelling van de gemaakte kosten, moet allereerst worden vastgesteld dat deze grief evenmin betrekking heeft op de advocatenhonoraria, waarvan de vergoeding in het bestreden besluit is geweigerd. De verklaringen op erewoord die de Commissie zou hebben verlangd, zijn namelijk overgelegd om aan te tonen dat vier werknemers van Red Bull die niet aanwezig waren in de kantoren van deze instelling, zich in Brussel bevonden om deel te namen aan de voortzetting van de inspectie, zodat de reis‑ en verblijfkosten en de forfaitaire vergoedingen die verzoeksters uit dien hoofde hadden gemaakt, konden worden vergoed.
38 Hieruit volgt dat deze grief is gericht tegen het bestreden besluit voor zover daarin wordt aanvaard om verzoeksters andere kosten dan de advocatenhonoraria te vergoeden, zodat deze grief om de in de punten 21 tot en met 25 hierboven uiteengezette redenen niet-ontvankelijk is.
39 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat uit de stukken die verzoeksters in het kader van de onderhavige procedure hebben overgelegd blijkt dat zij zelf de Commissie hebben voorgesteld om de litigieuze verklaringen over te leggen. Bijgevolg kunnen verzoeksters de Commissie niet verwijten dat zij hun bij de bewijsvoering onevenredige eisen heeft opgelegd. Het feit dat de Commissie weigert om, louter op basis van facturen, de reis‑ en verblijfskosten van de vier werknemers van Red Bull die niet in haar kantoren aanwezig waren, te vergoeden, en aanvullende bewijzen verlangt dat hun aanwezigheid in Brussel daadwerkelijk verband hield met de voortzetting van de inspectie, is overigens evenmin vatbaar voor kritiek en vormt geen onevenredig bewijsvereiste, in tegenstelling tot hetgeen verzoeksters betogen. Hieruit volgt dat de onderhavige grief hoe dan ook ongegrond is.
40 Gelet op een en ander moet het vierde middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Tweede middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
41 Ter ondersteuning van hun tweede middel, volgens hetwelk de Commissie haar motiveringsplicht niet is nagekomen, voeren verzoeksters in essentie twee grieven aan.
42 In de eerste plaats verwijten verzoeksters de Commissie dat zij in het bestreden besluit heeft verwezen naar de briefwisseling die zij met hen heeft gevoerd vóór de vaststelling van dat besluit. Volgens verzoeksters hadden alle overwegingen die de Commissie ertoe hebben gebracht om hun vordering tot vergoeding gedeeltelijk af te wijzen, duidelijk moeten worden uiteengezet in de tekst zelf van het bestreden besluit, zodat zij de redenen voor de vaststellingen in dit besluit kunnen begrijpen en het Gerecht zijn toezicht kan uitoefenen. Aangezien dit volgens verzoeksters niet het geval is, is de Commissie de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU niet nagekomen.
43 In de tweede plaats voeren verzoeksters aan dat het door de Commissie ter vergelijking gehanteerde alternatieve scenario voor de berekening van de vergoedbare aanvullende kosten onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is. De Commissie is in dat kader immers uitgegaan van de hypothese dat verzoeksters doorlopend een beroep zouden hebben gedaan op advocaten indien de inspectie in hun bedrijfsruimten was voortgezet in plaats van in de kantoren van de Commissie te Brussel. Om dit alternatieve scenario aannemelijk te maken, heeft de Commissie zich gebaseerd op een zin die zij selectief uit een brief van verzoeksters heeft gekozen. Daarin hadden verzoekster aangegeven dat zij, indien de inspectie in hun bedrijfsruimten was voortgezet, slechts op ad‑hocbasis een beroep zouden hebben gedaan op advocaten.
44 Verzoeksters voegen daaraan toe dat het door de Commissie gehanteerde alternatieve scenario onnauwkeurig is. De Commissie heeft namelijk niet uitgelegd waarom zij net dit scenario uit de vele mogelijke alternatieve scenario’s heeft gekozen en heeft dit onvoldoende omschreven. De Commissie heeft evenmin gepreciseerd hoe een dergelijke inspectie moet worden voortgezet, te weten de duur ervan, het aantal betrokken personeelsleden of de gevolgde werktijden. Bij gebreke van dergelijke aanwijzingen kan de Commissie niet zeker zijn dat zij het „juiste” alternatieve scenario heeft gehanteerd om de vergoedbare aanvullende kosten te berekenen, en kan zij het door verzoeksters gekozen alternatieve scenario voor de vaststelling van de door hen gemaakte kosten niet betwisten. Hoe dan ook is het door de Commissie gehanteerde alternatieve scenario volgens verzoeksters slechts hypothetisch. Verzoeksters stellen ook dat de Commissie het alternatieve scenario heeft gekozen dat voor haar het voordeligst was.
45 De Commissie betwist het betoog van verzoeksters.
46 In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296, tweede alinea, VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de handeling in kwestie en dat zij de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet brengen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden voor de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 23 januari 2025, Neos/Ryanair en Commissie, C‑490/23 P, EU:C:2025:32, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Eveneens zij eraan herinnerd dat de plicht om besluiten te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft (arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67, en 7 maart 2002, Italië/Commissie, C‑310/99, EU:C:2002:143, punt 48). De motivering van een besluit houdt immers in dat de gronden waarop dat besluit berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien deze gronden berusten op vergissingen, doen deze afbreuk aan de inhoudelijke wettigheid van het besluit, maar niet aan de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 181).
48 In casu blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie zich met deze handeling heeft uitgesproken over de vordering van verzoeksters die strekt tot vergoeding van de door hen gemaakte aanvullende kosten wegens de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel.
49 Meer in het bijzonder dient te worden vastgesteld dat de Commissie in het inleidende gedeelte van het bestreden besluit herinnert aan haar praktijk die – zoals zij reeds heeft uiteengezet in haar eerdere briefwisseling met verzoeksters – erin bestaat dat zij de aanvullende kosten vergoedt die de geïnspecteerde onderneming uitsluitend als gevolg van de voortzetting van de inspectie in haar kantoren heeft gemaakt. De Commissie legt daarin ook uit dat zij de kosten die een dergelijke onderneming hoe dan ook zou hebben gemaakt indien de inspectie in haar eigen bedrijfsruimten was voortgezet, dus niet vergoedt en preciseert dat dit volgens haar het geval is voor de advocatenhonoraria.
50 Bij de toepassing van deze beginselen op het door verzoeksters ingediende verzoek tot vergoeding zet de Commissie vervolgens in punt 1, „[A]dvocatenhonoraria”, van het bestreden besluit uiteen dat zij heeft besloten om de advocatenhonoraria waarvan Red Bull integraal vergoeding had gevorderd, niet te vergoeden, om de volgende twee redenen: ten eerste omdat Red Bull tijdens de inspectie in maart 2023 in haar bedrijfsruimten voortdurend door advocaten werd bijgestaan, zodat de advocatenhonoraria geen aanvullende kosten waren die toe te schrijven zijn aan de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel, en ten tweede omdat Red Bull in haar eerdere briefwisseling had erkend dat zij een beroep zou hebben gedaan op advocaten indien de inspectie in haar bedrijfsruimten was voortgezet.
51 Wat de overige kosten betreft, geeft de Commissie in punt 2, „[O]verige kosten”, van het bestreden besluit aan dat zij ermee instemt om de door verzoeksters gevorderde kosten te vergoeden, zoals overeengekomen in de briefwisseling met verzoeksters.
52 Ten slotte bevat punt 3, „[S]amenvatting”, van het bestreden besluit een overzichtstabel van de verschillende kosten waarvan verzoeksters terugbetaling vorderen. Naast elk van de vier kostenposten, te weten de reiskosten, de verblijfkosten, de dagvergoedingen en de advocatenhonoraria, wordt het bedrag vermeld dat de Commissie bereid is te vergoeden.
53 Hieruit volgt dat het bestreden besluit de redenering van de Commissie duidelijk, gedetailleerd en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengt, zodat verzoeksters de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Gerecht zijn toezicht kan uitoefenen in de zin van de in punt 46 hierboven aangehaalde rechtspraak. Het bestreden besluit is dan ook toereikend gemotiveerd en voldoet dus aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU.
54 Bovendien moet worden vastgesteld dat uit het onderhavige beroep blijkt dat verzoeksters de gegrondheid van het bestreden besluit hebben kunnen betwisten, en meer in het bijzonder de weigering tot integrale vergoeding van de advocatenhonoraria waarop zij aanspraak maken. Dit toont aan dat zij, ook al waren zij het daar niet mee eens, de redenen hebben kunnen begrijpen die ten grondslag liggen aan de conclusies van de Commissie in het bestreden besluit.
55 Geen enkel ander door verzoeksters aangevoerd argument kan afdoen aan het feit dat het bestreden besluit toereikend is gemotiveerd.
56 Wat in de eerste plaats de grief betreft dat de Commissie in het bestreden besluit heeft verwezen naar de briefwisseling vóór de vaststelling van dat besluit, moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeksters stellen, alle overwegingen die de Commissie ertoe hebben gebracht hun vordering tot vergoeding gedeeltelijk af te wijzen, duidelijk zijn uiteengezet in de tekst zelf van het bestreden besluit, zoals blijkt uit de punten 49 en 50 hierboven.
57 De briefwisseling die vóór de vaststelling van het bestreden besluit met verzoeksters is gevoerd, vormt bovendien de context ervan. Overeenkomstig de in punt 46 hierboven aangehaalde rechtspraak kan zij in aanmerking worden genomen om te bepalen of de Commissie haar motiveringsplicht in casu is nagekomen.
58 Bijgevolg kunnen verzoeksters de Commissie niet verwijten dat zij in het bestreden besluit heeft verwezen naar de eerdere briefwisseling die zij met hen heeft gevoerd.
59 Wat in de tweede plaats de grief betreft dat het alternatieve scenario dat de Commissie ter vergelijking heeft gehanteerd om de vergoedbare aanvullende kosten te berekenen, onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is, dient te worden vastgesteld dat uit het bestreden besluit blijkt dat dit scenario wordt beschreven als de hypothese waarin de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters zou zijn voortgezet.
60 In het bestreden besluit zet de Commissie immers uiteen dat zij heeft besloten om verzoeksters de kosten te vergoeden die uitsluitend het gevolg zijn van de voortzetting van de inspectie in haar kantoren te Brussel, met uitsluiting van de kosten die zij hoe dan ook zouden hebben gemaakt indien de inspectie in hun eigen bedrijfsruimten was voortgezet. Wat de advocatenhonoraria betreft, preciseert de Commissie dat deze geen dergelijke aanvullende kosten vormen, aangezien zij hoe dan ook zouden zijn gemaakt indien de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters was voortgezet.
61 Hieruit volgt dat dit alternatieve scenario in het bestreden besluit voldoende begrijpelijk is beschreven en toereikend is gemotiveerd, in tegenstelling tot hetgeen verzoeksters beweren.
62 In dit verband moet ook worden opgemerkt dat een dergelijk alternatief scenario per definitie hypothetisch is, hetgeen verzoeksters zelf erkennen, aangezien de inspectie in werkelijkheid in de kantoren van de Commissie te Brussel is voortgezet. Bijgevolg kan van de Commissie niet worden verlangd dat zij het „juiste” alternatieve scenario definieert of meer concrete details over dat scenario verstrekt in het bestreden besluit.
63 Ten slotte moet worden vastgesteld dat de vraag wat het meest plausibele of „juiste” alternatieve scenario is, betrekking heeft op de gegrondheid van het bestreden besluit en dus niet ter zake dienend is in het kader van een middel inzake ontoereikende motivering, zoals blijkt uit de in punt 47 hierboven aangehaalde rechtspraak. Bijgevolg zijn de argumenten die verzoeksters aanvoeren om aan te tonen dat zij de inspectie volledig intern hadden kunnen opvolgen indien deze in hun bedrijfsruimten was voortgezet, of dat het door de Commissie gehanteerde alternatieve scenario onjuist is of het meest voordelig voor deze instelling, niet ter zake dienend in het kader van het onderhavige middel, aangezien die argumenten betrekking hebben op de gegrondheid van het bestreden besluit en niet op de motivering ervan.
64 Gelet op een en ander moet het tweede middel worden afgewezen, zonder dat de door verzoeksters gevraagde maatregel tot organisatie van de procesgang krachtens artikel 89, lid 3, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hoeft te worden vastgesteld.
Eerste middel: onrechtmatige weigering om de aanvullende kosten te vergoeden omdat de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel onevenredig was
65 Verzoeksters betogen dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel van artikel 5, lid 4, VEU heeft geschonden doordat zij heeft besloten om de inspectie in haar kantoren te Brussel voort te zetten. Volgens verzoeksters heeft de voortzetting van de inspectie te Brussel namelijk niet bijgedragen tot de doeltreffendheid van de inspectie. Evenmin kon zij een buitensporige inmenging in de werking van Red Bull voorkomen. Die voortzetting was bovendien buitensporig lang en was slechts noodzakelijk omdat de Commissie voor een excessieve hoeveelheid van in totaal 16,6 terabyte aan gegevens in bulk heeft opgevraagd, zonder eerst de relevantie ervan te onderzoeken en zonder voorafgaande selectie. Volgens verzoeksters was de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel op zich onevenredig en heeft deze geleid tot de hoge kosten waarvan zij vergoeding vorderen. Verzoeksters leiden hieruit af dat de weigering van de Commissie om alle gevorderde kosten te vergoeden daarom onrechtmatig is.
66 De Commissie betwist het betoog van verzoeksters en werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het eerste middel op.
67 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het evenredigheidsbeginsel vergt dat handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (arresten van 8 maart 2007, France Télécom/Commissie, T‑339/04, EU:T:2007:80, punt 117, en 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 22).
68 In casu moet worden vastgesteld dat de argumenten die verzoeksters ter ondersteuning van hun eerste middel aanvoeren, gericht zijn tegen het besluit van de Commissie om de inspectie in haar kantoren voort te zetten, en niet tegen het bestreden besluit in het kader van de onderhavige procedure.
69 Verzoeksters zijn weliswaar van mening dat de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel onevenredig was, maar zij leggen geenszins uit waarom het bestreden besluit zelf onevenredig is. Met andere woorden, hoewel het eerste middel op een vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel is gebaseerd, tonen verzoekster met hun argumenten in dit verband echter niet aan dat het bestreden besluit de grenzen overschrijdt van hetgeen geschikt en noodzakelijk was om het met de vaststelling ervan beoogde doel te verwezenlijken, te weten het vaststellen van de aanvullende kosten die uitsluitend het gevolg zijn van de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel, waarvan de vergoeding door laatstgenoemde daarom gerechtvaardigd zou zijn.
70 Bijgevolg is het eerste middel niet ter zake dienend, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de door de Commissie betwiste ontvankelijkheid ervan en zonder dat de door verzoeksters gevraagde maatregel tot organisatie van de procesgang op grond van artikel 89, lid 3, onder d), van het Reglement voor de procesvoering hoeft te worden vastgesteld.
Derde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip „aanvullende kosten” in de zin van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P), en beoordelingsfout
71 Met hun derde middel stellen verzoeksters in essentie dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip „aanvullende kosten” in de zin van punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), en dat zij een beoordelingsfout heeft gemaakt, wat ertoe heeft geleid dat zij heeft geweigerd om de door verzoeksters gevorderde advocatenhonoraria integraal te vergoeden.
72 Wat de vermeende onjuiste rechtsopvatting betreft, voeren verzoeksters aan dat het standpunt van de Commissie dat advocatenhonoraria in beginsel geen „aanvullende kosten” in de zin van punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), vormen omdat deze ook zouden zijn gemaakt indien de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters was voortgezet, ongegrond is. Een dergelijke uitlegging van het begrip „aanvullende kosten” is te restrictief en strookt niet met het bovengenoemde arrest.
73 Wat de vermeende beoordelingsfout betreft, betogen verzoeksters dat de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie voor hen tot aanzienlijke moeilijkheden heeft geleid, aangezien zij niet over een vestiging in Brussel beschikken en het niet mogelijk was om hun kaderpersoneel daar gedurende lange tijd naartoe te sturen. Gelet op deze moeilijkheden waren verzoeksters gedwongen om een extra advocatenkantoor ter plaatse in te schakelen, naast het Oostenrijkse kantoor dat hen gewoonlijk bijstaat. Dat zij die extra advocaten hebben ingeschakeld heeft aanvullende kosten met zich meegebracht die hadden kunnen worden vermeden indien de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters was voortgezet, aangezien een dergelijke inspectie in dat geval niet zo lang zou hebben geduurd. Volgens verzoeksters vormen de door die advocaten in rekening gebrachte honoraria dus in hun geheel „aanvullende kosten”.
74 Verzoeksters stellen namelijk dat indien de inspectie in hun bedrijfsruimten was voortgezet, zij voor de opvolging ervan beschikten over het nodige meertalige personeel met voldoende juridische opleiding, dat zij daarentegen niet in Brussel hebben kunnen inzetten. Dit personeel had volgens een roulatiesysteem voor de inspectie kunnen worden ingezet, zodat verzoeksters de inspectie volledig intern hadden kunnen opvolgen en zij slechts op ad‑hocbasis een beroep op advocaten hadden hoeven te doen.
75 Subsidiair voegen verzoeksters ten slotte daaraan toe dat, indien hun betoog niet zou worden aanvaard, hoe dan ook moet worden geoordeeld dat de kosten die zijn gemaakt om het tweede advocatenkantoor in te schakelen, „aanvullende kosten” vormen, aangezien zij dit kantoor niet zouden hebben ingeschakeld indien de inspectie in hun bedrijfsruimten was voortgezet.
76 De Commissie betwist het betoog van verzoeksters.
77 In dit verband blijkt uit het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), dat de mogelijkheid voor de Commissie om haar controle van de boeken en andere bescheiden in verband met het bedrijf van een onderneming op grond van artikel 20, lid 2, onder b), van verordening nr. 1/2003 in haar kantoren te Brussel voort te zetten, is onderworpen aan de voorwaarde dat een dergelijke voortzetting de rechten van de verdediging niet schendt en geen inbreuk op de rechten van de betrokken ondernemingen oplevert die verder gaat dan die welke inherent is aan een inspectie in de bedrijfsruimten van die ondernemingen. Een dergelijke inbreuk moet worden vastgesteld indien de voortzetting van die controle in de kantoren van de Commissie te Brussel voor de geïnspecteerde onderneming aanvullende kosten meebrengt die uitsluitend het gevolg zijn van die voortzetting. Hieruit volgt dat de Commissie een controle die dergelijke kosten meebrengt slechts aldaar kan voortzetten als zij bereid is deze kosten te vergoeden wanneer een naar behoren gemotiveerd verzoek dienaangaande bij haar wordt ingediend door de betrokken onderneming.
78 In casu rijst de vraag of de Commissie, zoals verzoeksters aanvoeren, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een beoordelingsfout heeft gemaakt door te weigeren om aan verzoeksters de advocatenhonoraria integraal terug te betalen die deze hebben betaald voor de diensten in verband met de voortgezette inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel.
79 Wat de vermeende onjuiste rechtsopvatting betreft, zij eraan herinnerd dat de Commissie in het bestreden besluit, gelezen in het licht van de eerdere briefwisseling met verzoeksters, het begrip „aanvullende kosten” in de zin van punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), aldus heeft uitgelegd dat het in beginsel niet de advocatenhonoraria omvat die verband houden met de voortzetting van de inspectie in haar kantoren, aangezien het volgens haar gaat om kosten die de betrokken onderneming hoe dan ook zou hebben gemaakt indien de inspectie in haar bedrijfsruimten was voortgezet.
80 In dit verband blijkt uit punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571) (zie punt 77 hierboven), dat aan twee criteria moet zijn voldaan om bepaalde kosten te kunnen aanmerken als „aanvullende kosten [...] die uitsluitend het gevolg zijn van [de voortzetting van een inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel]”.
81 Ten eerste dient dus te worden nagegaan of de kosten waarvan verzoeksters vergoeding vorderen, als „aanvullend” in het licht van die rechtspraak kunnen worden aangemerkt.
82 Uit het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord „aanvullend” dient te worden afgeleid dat de bedoelde kosten een aanvulling vormen op het eerdere, omstandige en feitelijke referentiekader, namelijk de inspectie zoals die heeft plaatsgevonden in de bedrijfsruimten van de betrokken onderneming. Het moet dus gaan om kosten die komen boven op de kosten die zouden zijn gemaakt in een situatie waarin de inspectie in de bedrijfsruimten van de betrokken onderneming had plaatsgevonden.
83 Indien het Hof had willen verwijzen naar alle door de onderneming gemaakte kosten die de Commissie moet vergoeden als gevolg van het besluit om de inspectie in haar kantoren voort te zetten, zou het bovendien – anders dan verzoeksters stellen – in punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), het bijvoeglijk naamwoord „aanvullend” niet hebben gebruikt, aangezien dat woord veronderstelt dat het gaat om andere kosten dan die welke de onderneming zou hebben gemaakt indien de inspectie in haar bedrijfsruimten was voortgezet.
84 Ook moet worden opgemerkt dat het door het Hof gebruikte bijvoeglijke naamwoord „aanvullend” niet vereist dat wordt aangetoond dat de gemaakte kosten onevenredig of buitensporig zijn, maar enkel dat het gaat om extra kosten ten aanzien van de kosten die zouden zijn gemaakt indien de inspectie in de bedrijfsruimten van de betrokken onderneming was voortgezet.
85 Ten tweede moet worden nagegaan of de kosten waarvan verzoeksters vergoeding vorderen, kunnen worden aangemerkt als kosten die „uitsluitend het gevolg zijn” van de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie, nog steeds in het licht van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571).
86 Uit het gebruik van de uitdrukking „uitsluitend het gevolg zijn” in punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), dient te worden afgeleid dat er sprake moet zijn van een exclusief causaal verband tussen enerzijds de betrokken kosten en anderzijds de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie, hetgeen verzoeksters overigens in hun repliek erkennen.
87 Hieruit volgt dat het gaat om kosten die enkel wegens de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie zijn gemaakt, met als gevolg dat de kosten die hoe dan ook zouden zijn gemaakt indien de inspectie in de bedrijfsruimten van de betrokken onderneming was voortgezet, zijn uitgesloten.
88 Wat meer in het bijzonder de advocatenhonoraria betreft, volgt uit het voorgaande dat alleen de „aanvullende” honoraria – te weten de honoraria waarvan geen sprake zou zijn geweest in een situatie waarin de inspectie in de bedrijfsruimten van de betrokken onderneming had plaatsgevonden en die uitsluitend verband houden met de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie – kunnen worden aangemerkt als „aanvullende kosten” in de zin van punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571).
89 In dit verband moet worden vastgesteld dat de keuze om tijdens een door de Commissie krachtens artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 verrichte inspectie een beroep te doen op advocaten, deel uitmaakt van de verdedigingsstrategie van de betrokken onderneming, aangezien deze bepaling geen verplichting inhoudt om zich door advocaten te laten bijstaan (zie in die zin arrest van 27 september 2012, Koninklijke Wegenbouw Stevin/Commissie, T‑357/06, EU:T:2012:488, punt 226). Indien de betrokken onderneming besluit om advocaten in te schakelen om zich tijdens een dergelijke inspectie te laten bijstaan, heeft bijgevolg het feit dat die inspectie in de kantoren van de Commissie wordt voortgezet, geen invloed op de kosten in verband met de advocatenhonoraria. Indien de Commissie besluit om de inspectie in haar kantoren voort te zetten, vormen de advocatenhonoraria in verband met die voortzetting over het algemeen immers geen aanvullende kosten voor een dergelijke onderneming die had besloten zich tijdens die inspectie door advocaten te laten bijstaan, aangezien de door de advocaten te verrichten diensten in beginsel dezelfde zijn, ongeacht de plaats van de inspectie. Aangezien die diensten ook zouden zijn verricht indien de inspectie in de bedrijfsruimten van de betrokken onderneming was voortgezet, vertonen de desbetreffende advocatenhonoraria in beginsel geen exclusief causaal verband met de voortzetting van die inspectie in de kantoren van de Commissie.
90 Aangezien verzoeksters ervoor hebben gekozen om zich tijdens de in hun bedrijfsruimten verrichte inspectie door advocaten te laten bijstaan, is in casu niet aangetoond dat er een exclusief causaal verband bestaat tussen de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel en de honoraria van de advocaten die hen tijdens die inspectie hebben bijgestaan.
91 Gelet op de door verzoeksters gevolgde verdedigingsstrategie – en in tegenstelling tot hetgeen zij beweren – is de uitlegging door de Commissie van het begrip „aanvullende kosten”, die inhoudt dat in beginsel daarvan zijn uitgesloten de advocatenhonoraria die in rekening worden gebracht voor de diensten die in het kader van de voortzetting van een inspectie in haar kantoren zijn verricht omdat deze kosten ook zouden zijn gemaakt indien de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters was voortgezet, bijgevolg noch ongegrond noch in strijd met het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571).
92 Bovendien moet worden vastgesteld dat, anders dan verzoeksters betogen, de door de Commissie aan het begrip „aanvullende kosten” gegeven uitlegging evenmin restrictief is, met name gelet op het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571).
93 Uit het bestreden besluit, gelezen in het licht van de briefwisseling met verzoeksters, blijkt immers dat de Commissie niet categorisch uitsluit dat bepaalde advocatenhonoraria als „aanvullende kosten” kunnen worden beschouwd. De Commissie eist alleen dat de betrokken onderneming aantoont dat de advocatendiensten die het voorwerp vormen van de honoraria waarvan zij vergoeding vordert, niet zouden zijn verricht indien de inspectie in de bedrijfsruimten van die onderneming was voortgezet, hetgeen geenszins buitensporig is. Uit punt 90 van het arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571), blijkt immers dat de Commissie de aanvullende kosten vergoedt wanneer de betrokken onderneming een „naar behoren gemotiveerd” verzoek dienaangaande bij haar indient.
94 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de uitlegging die de Commissie in het bestreden besluit aan het begrip „aanvullende kosten” heeft gegeven, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
95 Wat de vermeende beoordelingsfout betreft, moet meteen worden opgemerkt dat verzoeksters de Commissie tijdens de procedure die aan de vaststelling van het bestreden besluit is voorafgegaan, slechts hebben verzocht om de advocatenhonoraria die zij in het kader van de voortzetting van de inspectie in de kantoren van deze instelling hebben opgelopen, integraal te vergoeden. Verzoeksters hebben zich hierbij gebaseerd op het scenario van een volledige interne opvolging van de inspectie door hun meertalige personeel met voldoende juridische opleiding indien deze in hun bedrijfsruimten was voortgezet. Aangezien verzoeksters van mening zijn dat zij in een dergelijk scenario geen advocatenhonoraria hadden moeten betalen omdat zij zelf een volledige interne opvolging zouden hebben gedaan, stellen zij dat de advocatenhonoraria die verband houden met de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel in hun geheel „aanvullende kosten” vormen die de Commissie moet vergoeden.
96 In dat verband dient om te beginnen te worden vastgesteld dat het scenario van een volledig interne opvolging van de inspectie niet overeenkomt met het verloop van de inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters, waaraan zij in maart 2023 werden onderworpen en waarbij zij zowel in Fuschl am See als in Amsterdam en Parijs voortdurend werden bijgestaan door advocaten. Zoals de Commissie terecht opmerkt hebben verzoeksters in deze context niet op goede gronden aangetoond dat zij, nadat zij zich gedurende de gehele duur van de inspectie in hun bedrijfsruimten door advocaten hadden laten bijstaan, in staat zouden zijn geweest om zich zo te organiseren dat zij de opvolging van de inspectie volledig intern konden doen bij voortzetting daarvan in hun bedrijfsruimten.
97 Vervolgens voeren verzoeksters weliswaar aan dat hun werknemers in staat zouden zijn geweest om de opvolging van de inspectie zelfstandig te verzorgen indien deze in hun bedrijfsruimten was voortgezet, maar zij leggen geenszins uit waarom zij deze werknemers niet hebben ingeschakeld om de inspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel daadwerkelijk op te volgen, hetzij ter plaatse, hetzij op afstand, met name door een roulatiesysteem toe te passen. Vastgesteld moet worden dat sommige werknemers van verzoeksters weliswaar in Brussel aanwezig waren, maar dat zij zich zelfs niet naar de kantoren van de Commissie hebben begeven. Dit feit lijkt het standpunt van de Commissie te bevestigen dat een volledige interne opvolging van de inspectie niet aannemelijk was, zodat verzoeksters advocaten zouden hebben ingeschakeld indien die inspectie in hun bedrijfsruimten was voortgezet.
98 Ten slotte moet ook worden opgemerkt dat verzoeksters zelf herhaaldelijk, zowel in de briefwisseling met de Commissie vóór de vaststelling van het bestreden besluit als in het kader van de onderhavige procedure, hebben erkend dat zij een beroep zouden hebben gedaan op advocaten indien de inspectie in hun bedrijfsruimten was voortgezet, althans op ad-hocbasis. Zonder zichzelf tegen te spreken kunnen verzoeksters dus niet stellen dat zij de opvolging van de inspectie volledig intern zouden hebben verzorgd, zonder ook maar enige bijstand van advocaten te krijgen, indien deze ter plaatse was voortgezet.
99 Bijgevolg heeft de Commissie geen beoordelingsfout gemaakt door in het bestreden besluit, gelezen in het licht van de eerdere briefwisseling met verzoeksters, te oordelen dat de veronderstelling van een volledig interne opvolging van de inspectie indien deze in de bedrijfsruimten van verzoeksters was voortgezet – waarop laatstgenoemden zich baseren om integrale vergoeding te vorderen van de advocatenhonoraria in verband met de voortzetting van de inspectie in de kantoren van de Commissie – niet aannemelijk was en moest worden verworpen. Overigens moet worden opgemerkt dat de Commissie nooit heeft gesteld dat de mate van bijstand door advocaten gedurende de gehele inspectie van dezelfde omvang zou zijn geweest indien deze in de bedrijfsruimten van verzoeksters was voortgezet. De Commissie heeft enkel – terecht – geoordeeld dat verzoeksters zich in een dergelijke situatie ook nog door advocaten zouden hebben laten bijstaan, althans in zekere mate.
100 Wat ten slotte het door verzoeksters subsidiair aangevoerde argument betreft dat op zijn minst de kosten die voortvloeien uit de inschakeling van een tweede advocatenkantoor als „aanvullende kosten” moeten worden beschouwd, dient te worden vastgesteld dat verzoeksters in de procedure die aan de vaststelling van het bestreden besluit is voorafgegaan, nooit hebben getracht aan te tonen dat slechts bepaalde advocatenhonoraria voor vergoeding in aanmerking kwamen en nooit om gedeeltelijke vergoeding van die honoraria hebben verzocht, en dat terwijl de Commissie, om te kunnen beoordelen of de advocatenhonoraria waarvan vergoeding werd gevorderd, gedeeltelijk als „aanvullende kosten” konden worden beschouwd, hun bij brief uitdrukkelijk heeft verzocht om „een volledige beschrijving te geven van de advocatenhonoraria, met inbegrip van de namen van de advocaten, de gepresteerde uren, het toepasselijke uurtarief, een beschrijving van het verstrekte advies en een motivering dat deze adviezen uitsluitend zijn verstrekt in verband met de voortzetting van die inspectie en niet met elke inspectie ter plaatse”. Verzoeksters, die steeds hebben gesteld dat zij volledige vergoeding van de advocatenhonoraria vorderden, hebben de Commissie echter nooit een dergelijke beschrijving verstrekt.
101 In die omstandigheden kan de Commissie niet worden verweten dat zij verzoeksters in het bestreden besluit geen gedeeltelijke vergoeding heeft toegekend van hun advocatenhonoraria, zoals die in verband met de inschakeling van een tweede advocatenkantoor met zetel te Brussel.
102 Overigens dient te worden opgemerkt dat verzoeksters tijdens de onderhavige procedure, in antwoord op zowel schriftelijke als mondelinge vragen van het Gerecht, uitdrukkelijk hebben bevestigd dat zij uitsluitend de van de Commissie geëiste volledige vergoeding van de advocatenhonoraria vorderden en geen genoegen konden nemen met een gedeeltelijke vergoeding ervan.
103 Uit het voorgaande volgt dat het door verzoeksters subsidiair aangevoerde argument, in het kader waarvan zij stellen dat op zijn minst sommige van de door hen betaalde advocatenhonoraria als „aanvullende kosten” moeten worden beschouwd, ongegrond moet worden verklaard en moet worden afgewezen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de door de Commissie betwiste ontvankelijkheid ervan.
104 Gelet op een en ander dient het derde middel te worden afgewezen en derhalve het beroep in zijn geheel te worden verworpen.
Kosten
105 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Eerste kamer, zitting hebbend met vijf rechters) rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Red Bull GmbH, Red Bull France SASU en Red Bull Nederland BV worden verwezen in de kosten.
Buttigieg Schwarcz Kancheva Tichy-Fisslberger Bestagno Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 april 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 23 januari 2025, C-490/23, ECLI:EU:C:2025:32
- HvJ EU 14 maart 2024, C-291/22, ECLI:EU:C:2024:228
- HvJ EU 15 juni 2023, C-501/21, ECLI:EU:C:2023:480
- HvJ EU 16 juli 2020, C-606/18, ECLI:EU:C:2020:571
- Gerecht EU 25 november 2014, T-402/13, ECLI:EU:T:2014:991
- Gerecht EU 27 september 2012, T-357/06, ECLI:EU:T:2012:488
- HvJ EU 10 juli 2008, C-413/06, ECLI:EU:C:2008:392
- Gerecht EU 8 maart 2007, T-339/04, ECLI:EU:T:2007:80
- HvJ EU 7 maart 2002, C-310/99, ECLI:EU:C:2002:143
- HvJ EU 2 april 1998, C-367/95, ECLI:EU:C:1998:154