Gerecht EU 16 juli 2025, T-105/23, ECLI:EU:T:2025:729

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)

16 juli 2025 ( *1 )

„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk ICELAND – Absolute nietigheidsgrond – Beschrijvend karakter – Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 40/94 [thans artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001]”

In zaak T‑105/23,

Iceland Foods Ltd, gevestigd te Deeside (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door G. Vos, advocaat,

verzoekster,

ondersteund door:

International Trademark Association (INTA), gevestigd te New York (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door N. Parrotta, M. Perraki en A. Lubberger, advocaten,

interveniënte,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door V. Ruzek als gemachtigde,

verweerder,

andere partijen in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënten voor het Gerecht:

Íslandsstofa (Promote Iceland), gevestigd te Reykjavik (IJsland),

IJsland,

SA – Business Iceland, gevestigd te Reykjavik,

vertegenwoordigd door A. von Mühlendahl en H. Hartwig, advocaten,

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: K. Kowalik-Bańczyk, president, E. Buttigieg en I. Dimitrakopoulos (rapporteur), rechters,

griffier: G. Mitrev, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 16 oktober 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Iceland Foods Ltd, vernietiging van de beslissing van de grote kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 15 december 2022 (zaak R 1238/2019-G) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Op 14 november 2016 hebben Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland bij het EUIPO een vordering ingesteld tot nietigverklaring van het Uniemerk dat was ingeschreven naar aanleiding van een door verzoekster op 19 april 2002 ingediende aanvraag voor het woordteken ICELAND.

3 De door het litigieuze merk aangeduide waren en diensten waarvoor nietigverklaring werd gevorderd, behoren tot de klassen 7, 11, 16, 29 tot en met 32, en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: – klasse 7: „Elektrische reinigingstoestellen voor huishoudelijk gebruik, waaronder elektrische reinigingsapparaten voor vensters en elektrische schoenpoetsapparaten en stofzuigers; wasmachines; toestellen voor huishoudelijk gebruik; onderdelen en accessoires voor alle voornoemde goederen; alle voornoemde goederen, voor zover begrepen in klasse 7”; – klasse 11: „Verwarmings-, kook-, koel-, droog- en ventilatietoestellen; diepvriezers, koelkasten, combinaties van diepvriezers en koelkasten, magnetronovens; onderdelen en accessoires voor alle voornoemde goederen; alle voornoemde goederen, voor zover begrepen in klasse 11”; – klasse 16: „Papier, karton, artikelen van papier, artikelen van karton, inpak- en verpakkingsmaterialen; zakken van papier of plastic, alle voor verpakking; toiletpapier, papieren doekjes, draagtassen, plastic tassen, papieren en plastic zakken; sluitingen voor tassen; etiketten; pennen en potloden; overdrukplaatjes; prijskaartjes en plaatsbewijzen alsmede houders in de vorm van enveloppen; drukwerken, tijdschriften en schrijfwaren; alle voornoemde goederen, voor zover begrepen in klasse 16”; – klasse 29: „Vlees, gevogelte en wild, vleesextracten; geconserveerde, gedroogde en gekookte vruchten en groenten; gelei, jams; eieren, melk en zuivelproducten; eetbare oliën en vetten; vlees- en groenteconserven; alle voornoemde goederen, voor zover begrepen in klasse 29”; – klasse 30: „Koffie, thee, cacao, suiker, rijst, tapioca, sago, koffiesurrogaten; meel en graanpreparaten, brood, consumptie-ijs; banketbakkers- en suikerbakkerswaren, consumptie-ijs; honing, stroop; gist, rijsmiddelen, zout, mosterd; azijn, sausen, slasausen; kruiden; ijs; alle voornoemde goederen, voor zover begrepen in klasse 30”; – klasse 31: „Land-, tuin- en bosbouwproducten en zaadproducten, voor zover niet begrepen in andere klassen; verse groenten en fruit; zaden; natuurlijke planten en bloemen; voedingsmiddelen voor dieren, mout; alle voornoemde goederen, voor zover begrepen in klasse 31”; – klasse 32: „Bieren, minerale en gazeuse wateren en andere alcoholvrije dranken; vruchtendranken en vruchtensappen; siropen en andere preparaten voor de bereiding van dranken; alle voornoemde goederen, voor zover begrepen in klasse 32”; – klasse 35: „Samenbrengen, voor rekening van derden, van een breed scala aan goederen om klanten in de gelegenheid te stellen die goederen gemakkelijk te bekijken en te kopen in een supermarkt; samenbrengen, ten gunste van derden, van een breed scala aan goederen om klanten in de gelegenheid te stellen die goederen gemakkelijk te bekijken en te kopen in een buurtwinkel; samenbrengen, ten gunste van derden, van een breed scala aan goederen om klanten in de gelegenheid te stellen die goederen gemakkelijk te bekijken en te kopen in detailhandels voor voedingsmiddelen, dranken en huishoudelijke artikelen; samenbrengen, ten gunste van derden, van een breed scala aan goederen om klanten in de gelegenheid te stellen die goederen gemakkelijk te bekijken en te kopen in detailhandels voor voedingsmiddelen, dranken en huishoudelijke artikelen en elektrische toestellen voor huishoudelijk gebruik; samenbrengen, ten gunste van derden, van een breed scala aan goederen om klanten in de gelegenheid te stellen die goederen gemakkelijk te bekijken en te kopen op een website die gespecialiseerd is in het op de markt brengen van voedingsmiddelen, dranken, huishoudelijke artikelen en elektrische toestellen voor huishoudelijk gebruik; samenbrengen, voor rekening van derden, van een breed scala aan goederen om klanten in de gelegenheid te stellen die goederen gemakkelijk te bekijken en te kopen op een website (waaronder een website die toegankelijk is via een computer, computernetwerken, mobiele telefoons met internetmogelijkheden, televisies, semafoons en elektronische organizers) gespecialiseerd in de verkoop van voedingsmiddelen, dranken, huishoudelijke artikelen en elektrische toestellen voor huishoudelijk gebruik; samenbrengen, voor rekening van derden, van een breed scala aan goederen om klanten in de gelegenheid te stellen die goederen gemakkelijk te bekijken en te kopen vanuit een postordercatalogus voor voedingsmiddelen, dranken, huishoudelijke artikelen en elektrische toestellen voor huishoudelijk gebruik of door middel van telecommunicatie”.

4 De ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde nietigheidsgronden waren in wezen die van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder b), c) en g), van deze verordening [nadien respectievelijk artikel 52, lid 1, onder a), en artikel 7, lid 1, onder b), c) en g), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), thans, na wijziging, artikel 59, lid 1, onder a), en artikel 7, lid 1, onder b), c) en g), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

5 Op 5 april 2019 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring toegewezen voor alle in punt 3 hierboven bedoelde waren en diensten.

6 Op 5 juni 2019 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

7 Tijdens de procedure bij de grote kamer van beroep hebben Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland naast de voor de nietigheidsafdeling aangevoerde nietigheidsgronden nog een nietigheidsgrond opgeworpen die in wezen is gebaseerd op de gecombineerde toepassing van artikel 51, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder f), van verordening nr. 40/94 [nadien artikel 7, lid 1, onder f), van verordening nr. 207/2009, thans, na wijziging, artikel 7, lid 1, onder f), van verordening 2017/1001].

8 Bij de bestreden beslissing heeft de grote kamer van beroep het beroep verworpen. In de eerste plaats heeft zij in wezen geoordeeld dat de op artikel 7, lid 1, onder f), van verordening nr. 40/94 gebaseerde vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk niet-ontvankelijk was omdat die vordering in het stadium van het beroep te laat was ingesteld.

9 In de tweede plaats heeft de grote kamer van beroep geoordeeld dat het litigieuze merk door het relevante publiek, namelijk het Engelstalige grote publiek van de Europese Unie, werd opgevat als een aanwijzing dat de erdoor aangeduide waren en diensten afkomstig waren uit IJsland. Bijgevolg heeft die kamer geoordeeld dat het litigieuze merk in strijd met artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94 was ingeschreven.

10 Voorts heeft de grote kamer van beroep in wezen eraan herinnerd dat het volstaat dat een van de absolute weigeringsgronden van toepassing is om het betrokken teken niet te kunnen inschrijven als Uniemerk. Indien het litigieuze merk zou moeten worden onderzocht in het licht van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 40/94, dient het hoe dan ook te worden geacht elk onderscheidend vermogen te missen.

Conclusies van partijen

11 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar de nietigheidsafdeling voor voortzetting van de procedure; – het EUIPO te verwijzen in de kosten van dit beroep en Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland te verwijzen in de kosten van de procedure bij de nietigheidsafdeling en de grote kamer van beroep.

12 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.

13 Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland verzoeken het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

14 De International Trademark Association (INTA) verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – te beslissen dat zij haar eigen kosten zal dragen.

In rechte

15 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen twee middelen aan: schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94, en schending van artikel 7, lid 1, onder b), van die verordening.

Eerste middel: schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94

16 De grote kamer van beroep heeft in wezen geoordeeld dat het litigieuze merk voor het relevante publiek de geografische oorsprong van de betreffende waren en diensten of de kenmerken ervan beschreef, met name gelet op de zeer grote bekendheid van de geografische benaming „IJsland” en van de kenmerken van dit land op het gebied van natuur, ecologie, hernieuwbare energie, economische welvaart, geschoolde en met zijn industrie verbonden arbeidskrachten, en reële export. Op basis van die elementen kon worden geoordeeld dat IJsland voor het relevante publiek een land was dat veel verschillende soorten waren kon produceren en een breed gamma van diensten kon leveren. Volgens de grote kamer van beroep legt het relevante publiek aldus een verband tussen de betrokken waren en diensten en het litigieuze merk als aanduiding van de plaats van herkomst ervan of van bepaalde kenmerken ervan die specifiek verband houden met die plaats van herkomst.

17 Verzoekster en INTA stellen dat de grote kamer van beroep artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94 heeft geschonden. Zij betwisten de beoordelingen van de grote kamer van beroep en bijgevolg de vaststelling dat het litigieuze merk beschrijvend is voor alle betrokken waren en diensten.

18 Meer in het bijzonder is verzoekster van mening dat de grote kamer van beroep, ondanks het ontbreken van wetgeving op Unieniveau die de inschrijving van benamingen van landen als merk verbiedt, in de bestreden beslissing de facto een dergelijk verbod heeft opgelegd. Dienaangaande heeft zij zich volgens verzoekster gebaseerd op criteria die niet doorslaggevend zijn, zoals het feit dat het relevante publiek de geografische benaming „Iceland" kent, of op onjuiste en niet-onderbouwde kenmerken van die plaats, die hoe dan ook irrelevant waren. Bovendien heeft die kamer geen rekening gehouden met bepaalde door verzoekster overgelegde onderzoeken.

19 EUIPO, Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland betwisten de argumenten van verzoekster en INTA.

20 In dit verband blijkt uit de rechtspraak dat het Uniemerk krachtens artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94 op vordering bij het EUIPO of op reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig wordt verklaard wanneer dit merk in strijd met artikel 7 van deze verordening is ingeschreven.

21 Volgens artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94 wordt de inschrijving geweigerd van merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten. Krachtens artikel 7, lid 2, van deze verordening (nadien artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009, thans, na wijziging, artikel 7, lid 2, van verordening 2017/1001) is artikel 7, lid 1, van verordening nr. 40/94 ook van toepassing indien de weigeringsgronden slechts in een deel van de Unie bestaan.

22 Dergelijke tekens of aanduidingen worden geacht de wezenlijke functie van het merk, namelijk het aanduiden van de commerciële herkomst van de waren of diensten, niet te kunnen vervullen [arresten van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley,C‑191/01 P, EU:C:2003:579, punt 30, en 27 februari 2002, Eurocool Logistik/BHIM (EUROCOOL),T‑34/00, EU:T:2002:41, punt 37].

23 Een teken valt alleen onder het verbod van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94 wanneer het met de betrokken waren of diensten een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft, dat het relevante publiek in staat stelt hierin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de betrokken waren of diensten of een van hun kenmerken te zien [zie arresten van 12 januari 2005, Deutsche Post EURO EXPRESS/BHIM (EUROPREMIUM),T‑334/03, EU:T:2005:4, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 juni 2005, Metso Paper Automation/BHIM (PAPERLAB),T‑19/04, EU:T:2005:247, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

24 Bovendien doet het weliswaar niet ter zake of een dergelijk kenmerk op commercieel vlak wezenlijk of ondergeschikt is, maar een kenmerk in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94 dient niettemin objectief en eigen aan de aard van de waar of de dienst te zijn, alsook intrinsiek en blijvend voor die waar of dienst [zie arrest van 7 mei 2019, Fissler/EUIPO (vita),T‑423/18, EU:T:2019:291, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

25 Wat meer in het bijzonder tekens of aanduidingen betreft die kunnen dienen tot aanduiding van de plaats van herkomst of bestemming van de categorieën van waren, of de plaats van levering van de categorieën diensten waarvoor de inschrijving van het Uniemerk wordt aangevraagd – inzonderheid geografische benamingen – vereist het algemeen belang dat zij beschikbaar blijven, in het bijzonder wegens het vermogen om niet alleen de kwaliteit en andere eigenschappen van de betrokken categorieën van waren en diensten aan te duiden, maar ook om anderszins de voorkeur van de consument te beïnvloeden, bijvoorbeeld door een verband tot stand te brengen tussen de waren en diensten en een plaats met een positieve gevoelswaarde (arrest van 6 september 2018, Bundesverband Souvenir – Geschenke – Ehrenpreise/EUIPO, C‑488/16 P, EU:C:2018:673, punt 37; zie ook naar analogie arrest van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee,C‑108/97 en C‑109/97, EU:C:1999:230, punt 26).

26 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het verboden is om, ten eerste, geografische benamingen als merk in te schrijven wanneer zij bepaalde plaatsen aanduiden die voor de betrokken categorie van waren of diensten reeds een reputatie bezitten of bekend zijn, en die derhalve in de opvatting van de betrokken kringen met die categorie in verband worden gebracht en, ten tweede, geografische benamingen in te schrijven die door ondernemingen kunnen worden gebruikt en voor hen ook beschikbaar moeten blijven als aanduidingen van de plaats van herkomst van de betrokken categorie van waren of diensten (zie naar analogie arrest van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee,C‑108/97 en C‑109/97, EU:C:1999:230, punten 29, 30 en 37).

27 Derhalve kan de inschrijving van een teken slechts worden geweigerd op grond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94 indien de geografische benaming waarvoor de inschrijving als merk wordt aangevraagd, een plaats aanduidt die in de opvatting van de betrokken kringen op het ogenblik van de aanvraag met de betrokken categorie van waren en diensten in verband wordt gebracht, dan wel redelijkerwijs een dergelijk verband in de toekomst te verwachten is (arrest van 6 september 2018, Bundesverband Souvenir – Geschenke – Ehrenpreise/EUIPO, C‑488/16 P, EU:C:2018:673, punt 38; zie ook naar analogie arrest van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee,C‑108/97 en C‑109/97, EU:C:1999:230, punt 31).

28 Zelfs indien het relevante publiek een geografische plaats kent, vloeit daaruit niet automatisch voort dat het teken in de handel kan dienen tot aanduiding van de plaats van herkomst. Bij het onderzoek of is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de betrokken weigeringsgrond, dient rekening te worden gehouden met alle relevante factoren, zoals de aard van de door het teken aangeduide waren of diensten, de grote of minder grote bekendheid, inzonderheid in de betrokken economische sector, van de betrokken geografische plaats en de grote of minder grote kennis ervan wat het relevante publiek betreft, de gebruiken in de betrokken branche en de mate waarin de plaats van herkomst van de betrokken waren of diensten in de betrokken kringen relevant kan zijn bij de beoordeling van de kwaliteit of van andere kenmerken van de betrokken waren of diensten [zie in die zin arrest van 25 oktober 2005, Peek & Cloppenburg/BHIM (Cloppenburg), T‑379/03, EU:T:2005:373, punt 49].

29 Bovendien bestaat in het kader van een op een absolute weigeringsgrond gebaseerde nietigheidsprocedure een vermoeden van geldigheid voor het ingeschreven Uniemerk, zodat de persoon die de vordering tot nietigverklaring heeft ingediend bij het EUIPO concrete elementen moet aanvoeren die afdoen aan de geldigheid ervan [arrest van 13 september 2013, Fürstlich Castell’sches Domänenamt/BHIM – Castel Frères (CASTEL), T‑320/10, EU:T:2013:424, punt 28].

30 In de eerste plaats moet in casu worden opgemerkt dat verzoekster niet opkomt tegen de door de grote kamer van beroep in de punten 89 tot en met 93 van de bestreden beslissing gegeven definitie van het relevante publiek. Volgens die kamer bestond dat publiek uit het Engelstalige grote publiek van de Unie, dat zich op de datum van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk op 19 april 2002 bevond in Finland, Ierland, Nederland, de Scandinavische landen, waaronder Denemarken, en het Verenigd Koninkrijk.

31 In de tweede plaats heeft de grote kamer van beroep in de bestreden beslissing in wezen geoordeeld dat een aanzienlijk deel van het relevante publiek het woord „Iceland” kende als benaming van een land dat onder meer deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte (EER).

32 In dit verband dient te worden opgemerkt dat het litigieuze merk de benaming aanduidt van een land dat geografisch gezien in Europa ligt, zich uitstrekt over een relatief dunbevolkt grondgebied, en een grotere oppervlakte heeft dan bepaalde lidstaten van de Unie en de EER.

33 Anders dan verzoekster stelt, dient voorts te worden vastgesteld dat de grote kamer van beroep het kennen van IJsland niet als doorslaggevend criterium heeft gehanteerd bij de beoordeling van het beschrijvend karakter van het litigieuze merk. In punt 121 van de bestreden beslissing heeft zij namelijk duidelijk aangegeven dat voor de beoordeling van het beschrijvend karakter van dat merk ook rekening moest worden gehouden met andere relevante factoren, zoals de kennis van de kenmerken van de door deze geografische benaming aangeduide plaats en het verband tussen de categorieën van waren en diensten en het litigieuze merk.

34 In de derde plaats heeft de grote kamer van beroep in de bestreden beslissing verschillende kenmerken van IJsland in aanmerking genomen op grond waarvan volgens haar kon worden vastgesteld dat IJsland een land was dat veel verschillende soorten waren kon produceren en een breed gamma van diensten kon leveren.

35 In dit verband zij eraan herinnerd dat verzoekster betwist dat het algemeen bekend is dat IJsland een van de meest milieuvriendelijke landen ter wereld is. Verzoekster betwist voorts de beoordeling door de grote kamer van beroep inzake de belangrijke handelsbetrekkingen die IJsland onderhoudt met de lidstaten van de Unie, en de kwalificatie van de IJslandse toeristische sector als een „groeiende” sector. De grote kamer van beroep heeft ten onrechte geoordeeld dat de meest voorkomende bestemming voor de uitvoer van IJslandse waren Denemarken en niet Nederland was, en zij heeft volgens verzoekster blijk gegeven van een onjuiste opvatting van de feiten door te oordelen dat IJsland een redelijk breed gamma van waren en diensten leverde.

36 Evenwel dient te worden vastgesteld dat verzoekster geen enkel concreet argument of gegeven aanvoert om de juistheid van de beoordelingen van de grote kamer van beroep in twijfel te trekken. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat aan de beoordeling van deze kenmerken met betrekking tot IJsland niet kan worden afgedaan door het algemene en niet-gedetailleerde betoog van verzoekster. Bovendien kan ten eerste op basis van de analyse van de bewijzen waarop de grote kamer van beroep zich in de bestreden beslissing heeft gebaseerd, worden bevestigd dat die bewijzen rechtens genoegzaam aantonen dat IJsland een milieuvriendelijk land is [zie punten 108, 109, 125, 126 en 146 van de bestreden beslissing, die met name betrekking hebben op de vele door de nationale beheerder in IJsland beheerde geothermische en hydraulische energiecentrales en op de reeds lang bestaande milieuvriendelijkheid van de energieproductie in IJsland, alsmede op de overeenstemmende informatie van de Collins Dictionary en de Encyclopedia Britannica]. Ten tweede is daarmee aangetoond dat IJsland een gegeerde toeristische bestemming is [zie punten 108 en 109 van de bestreden beslissing en punt 126 van die beslissing, waarin met name wordt verwezen naar het onderzoek van Íslandsstofa (Promote Iceland) dat in 2015 in Denemarken, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk is uitgevoerd]. Ten derde geldt dat ook voor het feit dat IJsland een breed gamma aan waren en diensten aanbiedt en in dat verband belangrijke handelsbetrekkingen met de EER-landen onderhoudt [zie punten 143 en 144 van de bestreden beslissing, waarin wordt verwezen naar het statistisch jaarboek van IJsland van 2015 en naar de verklaring van de voorzitter van de afdeling buitenlandse handel van het bureau voor de statistiek van IJsland van 27 januari 2016 over de uitvoer van IJsland naar de Unie in de periode 1999‑2014].

37 Wat voorts de betwistingen van verzoekster en INTA betreft over de relevantie van de kenmerken van IJsland die in de bestreden beslissing in aanmerking zijn genomen bij de beoordeling van het verband tussen dat land en de door het litigieuze merk aangeduide waren en diensten, volgt uit de in de punten 26 en 27 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak dat merken beschrijvend zijn wanneer zij bepaalde geografische plaatsen aanduiden die voor de betrokken categorie van waren en diensten reeds een reputatie bezitten of bekend zijn, maar ook geografische plaatsen waarvoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in de toekomst door de ondernemingen zullen worden gebruikt als aanduidingen van de plaats van herkomst van de categorie van betrokken waren of diensten.

38 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster ten onrechte stelt dat het in casu noodzakelijk was om de „bekendheid” te beoordelen die IJsland in verband met de door het litigieuze merk aangeduide waren en diensten genoot bij het relevante publiek of die dit land in de toekomst kon genieten. Zoals blijkt uit de in punt 28 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, moet immers rekening worden gehouden met een geheel van omstandigheden, zoals die zich voordeden op 19 april 2002 alsmede vanuit een toekomstvisie, waarbij die omstandigheden zich niet beperkten tot de kwestie van de bekendheid alleen. Bovendien zijn de verschillende kenmerken van IJsland die door de grote kamer van beroep in aanmerking zijn genomen, belangrijk om te bepalen in hoeverre de plaats van herkomst van de betrokken waren of diensten in de opvatting van de betrokken kringen relevant kan zijn voor de beoordeling van de kwaliteit of van andere kenmerken van de betrokken waren of diensten.

39 Om dezelfde redenen kan verzoekster de grote kamer van beroep niet verwijten dat zij rekening heeft gehouden met de economische welvaart, met inbegrip van de beoordeling van het bruto binnenlands product (bbp), de geschoolde arbeidskrachten of de aanwezigheid van verschillende industrieën, aangezien aan de hand van die criteria kon worden bepaald of IJsland voor de betrokken waren en diensten bekend kon worden of een reputatie kon verwerven als plaats van herkomst. Uit een volledige lezing van de bestreden beslissing, met name de punten 146, 147, 164, 167 en 185, in fine, blijkt dat de grote kamer van beroep de IJslandse economie – zowel de kwantitatieve aspecten zoals het bbp als de kwalitatieve aspecten – relevant heeft geacht om haar vaststelling te staven dat dit land in staat was om een breed gamma van waren en diensten te produceren en te leveren en dat het litigieuze merk in de perceptie van het relevante publiek beschrijvend was. In dit verband zij nog opgemerkt dat uit de rechtspraak blijkt dat het bbp relevant is bij de vaststelling van de kenmerken van een geografische plaats die wordt aangeduid door het teken waarvan inschrijving is aangevraagd en bijgevolg bij de beoordeling van het verband tussen de door dit teken aangeduide waren en diensten en de aangeduide geografische benaming [zie in die zin arrest van 23 februari 2022, Govern d’Andorra/EUIPO (Andorra), T‑806/19, niet gepubliceerd, EU:T:2022:87, punt 65].

40 Gelet op het voorgaande moet concreet worden onderzocht of het litigieuze merk op het ogenblik van de inschrijvingsaanvraag in de opvatting van de betrokken kringen een plaats aanduidde die met de categorieën van betrokken waren en diensten in verband werd gebracht, dan wel of redelijkerwijs een dergelijk verband in de toekomst te verwachten was.

Door het litigieuze merk aangeduide waren van de klassen 29 tot en met 32

41 Ten eerste heeft de grote kamer van beroep geoordeeld dat de aanduiding van de geografische oorsprong van in essentie levensmiddelen, dranken en landbouwproducten niet alleen een gangbare praktijk in de handel was, maar ook bij sommige waren een verplichting om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van consumenten en hun recht op informatie te waarborgen. Consumenten die worden geconfronteerd met de benaming van een land dat op die waren staat, zullen dus die benaming eerder als een plaats van herkomst en in beschrijvende zin opvatten, ook al heeft het betrokken land voor een bepaalde waar geen bijzondere reputatie of is het daarvoor niet bekend.

42 Ten tweede heeft de grote kamer van beroep geoordeeld dat IJsland weliswaar hoofdzakelijk kon worden geassocieerd met vis, schaal- en schelpdieren, vlees en zuivelproducten, maar dat het land ook andere levensmiddelen produceerde, zoals fruit, groenten en kruiden. Bovendien zouden de tuinbouwkassen, die worden verwarmd met geothermische energie, redelijkerwijs een vrij gevarieerde voedselproductiecapaciteit mogelijk moeten maken. Gelet op het feit dat pluimvee wordt gehouden en eieren, granen, bier, water, vruchtensappen en andere alcoholvrije dranken in Europa courant worden geproduceerd, verpakt en in de handel gebracht, zouden de consumenten denken dat deze producten mogelijk uit IJsland komen. Dit geldt ook voor eetbare vetten en oliën en in het bijzonder voor koolzaadolie die in een kouder klimaat kan worden geteeld.

43 Ten derde heeft de grote kamer van beroep geoordeeld dat bepaalde waren van klasse 30 zoals cacao, koffie, thee, rijst, sago en tapioca, naar hun aard weliswaar niet in IJsland werden geteeld maar dat zij daar niettemin konden worden verwerkt en aangepast aan de lokale smaak.

44 Verzoekster betoogt in wezen dat de grote kamer van beroep zich bij de beoordeling van het verband tussen de waren van de klassen 29 tot en met 32 en de betrokken geografische benaming ten onrechte heeft geconcentreerd op het feit dat IJsland tot op zekere hoogte levensmiddelen produceerde, terwijl deze slechts een klein deel van de door dit land uitgevoerde waren vertegenwoordigen. Voorts zijn de beoordelingen van de grote kamer van beroep voor bepaalde „exotische” waren irrelevant. Bovendien betoogt verzoekster dat de juridische verplichting om het land van oorsprong op een waar te vermelden, geen enkele invloed heeft op het gebruik van de benaming van dat land als merk.

45 In de eerste plaats moet dienaangaande worden opgemerkt dat de waren van de klassen 29 tot en met 32 die door het litigieuze merk worden aangeduid, levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong en voor menselijke consumptie bestemde vloeistoffen omvatten, die alle tot de levensmiddelensector behoren.

46 Volgens de rechtspraak is het gewone praktijk bij levensmiddelen uit de landbouwsector dat zij worden aangewezen met een geografische term die hun plaats van herkomst aanduidt of kan aanduiden [zie in die zin arrest van 15 oktober 2003, Nordmilch/BHIM (OLDENBURGER),T‑295/01, EU:T:2003:267, punten 42‑45]. De plaats van herkomst van de betrokken waren kan worden geacht voor het relevante publiek mogelijkerwijs bijzonder relevant te zijn voor de beoordeling van de kwaliteit of andere kenmerken ervan, in de zin van de in punt 28 hierboven aangehaalde rechtspraak.

47 Hierbij komen nog de overwegingen die verband houden met de specifieke kenmerken van de betrokken waren die uit IJsland afkomstig zijn, gelet op de natuurlijke factoren in dat land en de wijze van vervaardiging of verwerking van die waren. Deze overwegingen worden geïllustreerd door bewijzen die tijdens de administratieve procedure bij het EUIPO zijn overgelegd, waaronder de brochure van de Icelandic Lamb Marketing Board (IJslands bureau voor het in de handel brengen van lammeren) over het fokken van lammeren in IJsland (punt 154 van de bestreden beslissing). Die brochure draagt als opschrift Buyers Guide – From nature to the table – Flavoured by the wild pastures of Iceland (Aankoopgids – Van de natuur naar de tafel – Gekruid door de wilde weiden van IJsland). Die brochure dateert weliswaar van 2010 maar is van belang voor de situatie die bestond op de datum van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk aangezien daarin melding wordt gemaakt van een „traditioneel” proces voor het fokken van lammeren en de verwerking van hun vlees. Uit dit document blijkt onder meer dat de lammeren in de vrije natuur en volgens hoge kwaliteitsnormen werden gefokt om zo een hoge vleeskwaliteit te bereiken. Bovendien wordt in datzelfde document verwezen naar wat op het gebied van die productie wordt beschouwd als cultureel erfgoed.

48 In de tweede plaats blijkt uit de gegevens van het dossier die Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland tijdens de administratieve procedure bij het EUIPO hebben overgelegd, dat IJsland verschillende soorten levensmiddelen uit de landbouwsector produceert en uitvoert, waaronder vis en visproducten, rundvlees, schapen- en varkensvlees, zuivelproducten, fruit en groenten, zoals verschillende soorten sla, kool, tomaten, broccoli, wortelen en paprika’s, diverse bessen, algen en kruiden, snoepgoed met inbegrip van chocolade, en dranken zoals bier en alcoholvrije dranken. In het bijzonder blijkt uit deze gegevens van het dossier dat IJsland deze waren tussen 1999 en 2014 produceerde en uitvoerde, dat wil zeggen in een periode die zowel voorafgaat aan, als volgt op de datum van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk [zie punt 154 van de bestreden beslissing, meer bepaald de verklaring van de voorzitter van de afdeling buitenlandse handel van het IJslandse bureau voor de statistiek van 27 januari 2016 over de periode 1999‑2014, en het jaarlijkse statistische document van IJsland van 2015, met concrete gegevens over de uitvoer van IJsland naar de Unie en naar de EER die zijn uitgesplitst naar productiesector].

49 Bovendien heeft de grote kamer van beroep in punt 155 van de bestreden beslissing (zie punt 42 hierboven) terecht geoordeeld dat bepaalde andere betrokken waren, zoals pluimvee en eieren, in heel Europa konden worden gefokt en geproduceerd en dus ook in IJsland. Ook eetbare vetten en oliën, in het bijzonder koolzaadolie, konden worden geproduceerd of geteeld in een kouder klimaat zoals dat van IJsland. Over het geheel genomen kunnen die door het litigieuze merk aangeduide waren van de klassen 29 tot en met 32 dus in IJsland worden geproduceerd, verpakt en verhandeld, en worden uitgevoerd naar landen van de EER. Zoals de grote kamer van beroep in punt 155 van de bestreden beslissing heeft aangegeven, gelden dezelfde overwegingen voor bier en alcoholvrije dranken.

50 Hieruit volgt dat IJsland op de datum van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk een breed gamma van door dat merk aangeduide waren van de klassen 29 tot en met 32 produceerde, dat het land die waren ook uitvoerde, en dat het in staat was andere waren te produceren. Gelet op de actuele of potentiële capaciteit van IJsland om die waren te produceren en uit te voeren, dient te worden geoordeeld dat wanneer een van de waren van de klassen 29 tot en met 32 onder het litigieuze merk wordt verhandeld, die waar kan worden opgevat als afkomstig uit dat land. Anders dan verzoekster stelt, kan de grote kamer van beroep in dit verband niet worden verweten dat zij geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het aandeel van de door IJsland uitgevoerde levensmiddelen „minimaal” zou zijn. Gesteld al dat de huidige uitvoer van levensmiddelen door IJsland geen relatief groot deel van zijn uitvoer in het algemeen vormt, kan een dergelijke bewering niet afdoen aan het beschrijvende verband tussen het merk en de waren van de klassen 29 tot en met 32, aangezien zij geen rekening houdt met de toekomstvisie wat het verband betreft dat redelijkerwijs kan worden gelegd tussen het litigieuze merk en de betrokken waren.

51 Voor zover verzoekster argumenten aanvoert ter betwisting van het verband tussen het litigieuze merk en zeehondenvlees, moet bovendien worden opgemerkt dat zij niet ter discussie stelt dat andere soorten vlees, zoals rundvlees, schapen- en varkensvlees, in IJsland worden geproduceerd en, volgens de tijdens de administratieve procedure overgelegde bewijzen, door IJsland worden uitgevoerd. Haar betoog kan dus niet afdoen aan het beschrijvend karakter van het litigieuze merk voor de ruimere categorie „vlees” van klasse 29.

52 Wat cacao, koffie en thee van klasse 30 betreft, is het inderdaad juist – zoals verzoekster stelt – dat deze waren naar hun aard niet in IJsland worden geteeld en dat het weinig waarschijnlijk is dat zij er in de toekomst zullen worden geteeld. De grote kamer van beroep heeft evenwel terecht aangevoerd dat die waren daar wel kunnen worden verwerkt en aangepast aan de lokale smaak, zoals blijkt uit de bewijzen inzake de vervaardiging van chocolade waarnaar die kamer in punt 154 van de bestreden beslissing heeft verwezen en die betrekking hebben op lokale ondernemingen van suikerbakkerswaren. De door de grote kamer van beroep aangevoerde voorbeelden van selecties thee uit Ierland, Engeland of Schotland – landen waar nochtans geen thee wordt geteeld – die in de Unie in de detailhandel werden aangeboden, zijn in dat verband ook relevante illustraties.

53 Voor zover verzoeksters stellingen aldus moeten worden opgevat dat zij zien op het ontbreken van bewijzen die bevestigen dat er in IJsland sprake is van een praktijk van verwerking of aanpassing aan de lokale voorkeuren van waren zoals cacao, koffie of thee, moet niettemin worden vastgesteld dat volgens de opvatting van het relevante publiek die mogelijkheid redelijkerwijs bleef bestaan. Dit soort waren kan namelijk het voorwerp vormen van een specifieke marketing, waarbij de aandacht wordt gevestigd op een waar met aan de lokale smaak aangepaste smaakkwaliteit of andere bijzondere kwaliteiten die verband houden met de plaats van herkomst ervan.

54 Opgemerkt zij dat deze waren, alsmede bepaalde andere waren van de klassen 29 tot en met 32, zoals kruiden, gist of zout, na aanpassing kenmerken kunnen hebben die eigen zijn aan IJsland, bijvoorbeeld gelet op de verwerkingsmethoden waarmee bijzondere smaken kunnen worden benadrukt, en door het relevante publiek als zodanig kunnen worden opgevat.

55 Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de grote kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het litigieuze merk beschrijvend was voor de waren van de klassen 29 tot en met 32.

Door het litigieuze merk aangeduide waren van de klassen 7 en 11

56 Om vast te stellen dat het litigieuze merk beschrijvend was voor de waren van de klassen 7 en 11, heeft de grote kamer van beroep om te beginnen rekening gehouden met de factoren die verband houden met het bestaan van een „sterke” visserij- en voedselverwerkingssector in IJsland waarbij gebruik werd gemaakt van diepvriezers en andere elektrische apparaten, met de stabiliteit en de gezonde IJslandse economie, en met de associatie met groene energie en met duurzaamheid wegens de reputatie van het land op dit gebied. Vervolgens heeft zij de aankoopgewoonten van de consumenten in deze sector geanalyseerd. Ten slotte heeft de grote kamer van beroep in wezen geoordeeld dat het litigieuze merk in staat was om de duurzame en ecologische wezenlijke kenmerken van de door het litigieuze merk aangeduide waren van de klassen 7 en 11 te beschrijven.

57 Verzoekster verwijt de grote kamer van beroep te hebben geoordeeld dat de waren van de klassen 7 en 11 in IJsland konden worden geproduceerd terwijl de economische en geografische kenmerken van dit land een dergelijke productiecapaciteit niet aantoonden.

58 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de waren van de klassen 7 en 11 onder meer verschillende toestellen voor huishoudelijk gebruik en onderdelen en accessoires daarvan omvatten. Verzoekster komt niet op tegen de stelling van de grote kamer van beroep dat deze waren gemakkelijk een duurzaam imago kunnen hebben dat met name verband houdt met de milieuvriendelijke productie ervan en hun lage energieverbruik.

59 Bovendien dient hier ten eerste aan te worden toegevoegd dat – zoals de kamer van beroep in punt 164 van de bestreden beslissing heeft opgemerkt – IJsland wegens het bestaan van een „sterke sector”, van geschoolde arbeidskrachten en van een gezonde en stabiele economie, en de aanmoediging van innovatie en creativiteit door de IJslandse regering, door het relevante publiek in 2002 kon worden opgevat als een land dat in staat was om alle betrokken waren van deze klassen te vervaardigen of daartoe in de nabije toekomst in staat zou zijn.

60 Ten tweede volgt uit de gegevens van het dossier die tijdens de administratieve procedure zijn overgelegd door Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland (zie opmerkingen van 2 november 2017, bijlage 3), dat bepaalde in IJsland gevestigde ondernemingen waren van de klassen 7 en 11 vervaardigen die door het litigieuze merk worden aangeduid, zoals koelkasten en diepvriezers. Hoewel deze bewijzen betrekking hebben op het jaar 2017, zijn zij ook met betrekking tot de datum van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk – 19 april 2002 – illustratief omdat zij met name de technische capaciteiten van de IJslandse ondernemingen in de betrokken sector laten zien.

61 In deze omstandigheden kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat het litigieuze merk door het relevante publiek kon worden opgevat als een aanduiding dat de waren van de klassen 7 en 11 afkomstig waren uit IJsland en, gelet op het imago van dit land, milieuvriendelijk waren (zie punt 36 hierboven), en dat die waren kenmerken hadden die verband hielden met hun duurzaamheid en ecologisch karakter.

62 Aan die vaststelling kan niet worden afgedaan door verzoeksters kritiek dat de verwijzingen van de grote kamer van beroep in de punten 80, 147 en 163 van de bestreden beslissing naar kunstledematen (prothesen) in casu irrelevant zijn aangezien het litigieuze merk niet was ingeschreven voor dergelijke waren. In dit verband volstaat de vaststelling dat de grote kamer van beroep er slechts naar heeft verwezen om in navolging van Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland, te illustreren dat IJslandse ondernemingen in staat zijn om geavanceerde high tech waren te vervaardigen. Een dergelijk element was relevant om te beoordelen of IJsland kon worden opgevat als een plaats van herkomst voor de waren van de klassen 7 en 11.

63 Uit het voorgaande volgt dat de grote kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het litigieuze merk beschrijvend was voor de waren van de klassen 7 en 11.

Door het litigieuze merk aangeduide waren van klasse 16

64 In de bestreden beslissing heeft de grote kamer van beroep in wezen geoordeeld dat de papier- en kartonwaren en de schrijfwaren van klasse 16 dagelijks worden gebruikt en dat het relevante publiek het litigieuze merk opvat als een aanduiding dat deze waren afkomstig zijn uit IJsland en milieuvriendelijk zijn. Wat bovendien drukwerken of tijdschriften betreft, heeft de grote kamer van beroep vastgesteld dat het relevante publiek kon veronderstellen dat zij betrekking hadden op IJsland.

65 Verzoekster verwijt de grote kamer van beroep in wezen dat zij zich heeft gebaseerd op de loutere veronderstelling dat IJsland in de toekomst waren van klasse 16 zou kunnen produceren.

66 Ten eerste moet dienaangaande – in navolging van de grote kamer van beroep – in wezen worden vastgesteld dat „papier, karton, artikelen van papier, artikelen van karton, inpak- en verpakkingsmaterialen; zakken van papier of plastic, alle voor verpakking; toiletpapier, papieren doekjes, draagtassen, plastic tassen, papieren en plastic zakken; sluitingen voor tassen; etiketten; pennen en potloden; overdrukplaatjes; prijskaartjes en plaatsbewijzen alsmede houders in de vorm van enveloppen” kunnen worden geproduceerd met biologisch afbreekbare materialen of volgens productieprocessen waarbij de impact op het milieu wordt beperkt.

67 De geringere milieu-impact van waren en hun verpakkingen kan een kwaliteit zijn die met deze waren of verpakkingen wordt geassocieerd, al was het maar voor een deel van het publiek dat belang hecht aan het ecologische aspect, in het bijzonder plichtsgetrouwe consumenten die uit zijn op een makkelijkere terugwinning en de recyclage van afval.

68 De grote kamer van beroep heeft dus terecht geoordeeld dat het litigieuze merk, dat IJsland aanduidt – een land dat bekend staat om zijn milieuvriendelijkheid (zie punt 36 hierboven) –, door het relevante publiek zal worden opgevat als een aanduiding van de plaats van herkomst van de waren van klasse 16 of van het kenmerk ervan dat betrekking heeft op het ecologische aspect en dat verband houdt met die plaats van herkomst.

69 Ten tweede betwist verzoekster met betrekking tot „drukwerken, tijdschriften en schrijfwaren” niet dat die waren betrekking konden hebben op IJsland, ongeacht waar zij zijn geproduceerd. In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat het litigieuze merk beschrijvend is voor de waren van klasse 16.

Door het litigieuze merk aangeduide diensten van klasse 35

70 De door het litigieuze merk aangeduide diensten van klasse 35 hebben in essentie betrekking op detailhandel in winkels en online.

71 De grote kamer van beroep heeft in wezen geoordeeld dat het litigieuze merk kon worden gebruikt als verwijzing naar de plaats van waaruit de detailhandelsdiensten van klasse 35 in het algemeen werden verricht. Bovendien kan het relevante publiek dit merk opvatten als een verwijzing naar een specifieke kwaliteit van de in het kader van deze diensten in de handel gebrachte waren.

72 Verzoekster betoogt in wezen dat het weinig waarschijnlijk is dat de diensten van klasse 35 afkomstig zijn uit IJsland, gelet op de geringe bevolkingsdichtheid en het grotendeels onbewoonbare grondgebied ervan, die het volgens haar niet mogelijk maken om een keten van levensmiddelenwinkels in stand te houden. Voorts wijst verzoekster erop dat IJsland geen detailhandelsdiensten „exporteert”.

73 Benadrukt dient te worden dat de door het litigieuze merk aangeduide detailhandelsdiensten betrekking hebben op voedingsmiddelen, dranken en huishoudelijke producten die alle in IJsland worden geproduceerd. Het kan daarenboven gaan om waren zoals vis, schaal- en schelpdieren of andere producten van de zee, waarvoor verzoekster niet betwist dat IJsland bekend staat als het land van oorsprong.

74 Verzoeksters argumenten dat de door het litigieuze merk aangeduide diensten niet worden geëxporteerd, dat IJsland geen reputatie heeft voor deze diensten en dat de omvang van de IJslandse bevolking eraan in de weg staat dat dit land een keten van levensmiddelenwinkels in stand zou kunnen houden, kunnen om dezelfde redenen als die welke in de punten 37 en 38 hierboven zijn uiteengezet, niet slagen. Daarbij is een onderscheid op basis van het demografische belang van de betrokken geografische plaats overigens irrelevant. Redelijkerwijs kan immers worden aangenomen dat wanneer de betrokken diensten het litigieuze merk dragen, zij zullen worden opgevat als geleverd in winkels in dat land.

75 Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de grote kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het litigieuze merk beschrijvend was voor de diensten van klasse 35.

Bepaalde transversale beweringen van verzoekster en INTA

76 Geen van de andere argumenten van verzoekster en INTA kan afdoen aan de vaststelling van de grote kamer van beroep dat het litigieuze merk beschrijvend is voor de erdoor aangeduide waren en diensten.

77 In de eerste plaats betogen verzoekster en INTA dat de grote kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen te oordelen dat de inschrijving van benamingen van landen, los van de betrokken waren of diensten, noodzakelijkerwijs onder de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c) en f), van verordening nr. 40/94 viel.

78 Die bewering vloeit echter voort uit een onjuiste lezing van de bestreden beslissing. Zoals blijkt uit de algehele lezing van die beslissing en met name de punten 94 tot en met 209 ervan, heeft de grote kamer van beroep immers in detail onderzocht of het litigieuze merk beschrijvend was voor alle betrokken waren en diensten.

79 In de tweede plaats moet met betrekking tot verzoeksters argument dat artikel 12, onder b), van verordening nr. 40/94 [nadien artikel 12, onder b), van verordening nr. 207/2009, thans, na wijziging, artikel 14, onder b), van verordening 2017/1001] het gebruik van de benaming „Iceland” mogelijk maakt voor IJslandse entiteiten, worden vastgesteld dat die bepaling, met als opschrift “Beperking van de aan het [Unie]merk verbonden rechtsgevolgen”, als volgt is geformuleerd: „Het aan het [Unie]merk verbonden recht staat de houder niet toe een derde te verbieden om in het economische verkeer gebruik te maken: [...] b) van aanduidingen inzake soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten; [...] voor zover er sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel.”

80 De in punt 79 hierboven in herinnering gebrachte bepaling heeft onder meer tot doel de problemen te regelen die zich voordoen wanneer een geheel of ten dele uit een geografische benaming bestaand merk is ingeschreven en verleent derden niet het recht een dergelijke benaming als merk te gebruiken, maar garandeert hen enkel dat zij dat merk als beschrijvende aanduiding kunnen gebruiken, namelijk als aanduiding van de plaats van herkomst, voor zover er sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee,C‑108/97 en C‑109/97, EU:C:1999:230, punten 26‑28).

81 Anders dan verzoekster lijkt te suggereren biedt het gegeven dat artikel 12, onder b), van verordening nr. 40/94 waarborgt dat iedere marktdeelnemer vrij gebruik kan maken van aanduidingen betreffende de kenmerken van waren en diensten, niet de bescherming van het algemeen belang dat aan artikel 7, lid 1, onder c), van deze verordening ten grondslag ligt. Integendeel, dat gegeven legt des te meer nadruk op het belang dat de – overigens absolute – weigeringsgrond van artikel 51, lid 1, onder a), gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94 daadwerkelijk wordt toegepast op elk teken dat kan dienen tot aanduiding van een kenmerk van de waren of diensten waarvoor inschrijving van dit teken als merk is aangevraagd (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM,C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verzoeksters argument moet derhalve ongegrond worden verklaard.

82 In de derde plaats lijkt verzoekster de grote kamer van beroep te verwijten dat zij het onderzoek van 2 augustus 2019, waarin in juni 2019 gevoerde telefoongesprekken in aanmerking zijn genomen, niet-ontvankelijk heeft verklaard.

83 Op basis van een gecombineerde lezing van met name de punten 137, 138, 158 en 205 van de bestreden beslissing moet echter worden vastgesteld dat de grote kamer van beroep niet de ontvankelijkheid van het op 2 augustus 2019 uitgevoerde onderzoek maar wel de bewijskracht ervan heeft onderzocht.

84 Gesteld al dat verzoekster de beoordeling van de bewijskracht van dit onderzoek wil betwisten, kan echter worden volstaan met de opmerking dat zij geen concrete gevolgen verbindt aan dat onderzoek voor de beoordeling van het beschrijvend karakter van het litigieuze merk. Zoals de grote kamer van beroep in punt 158 van de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld, is het enkele feit dat aan de ondervraagde personen werd gevraagd aan welke waren zij denken bij het zien van het litigieuze merk, hoe dan ook geen onfeilbare of geschikte test om te beoordelen of dat merk beschrijvend is aangezien bij die beoordeling altijd rekening moet worden gehouden met de door dat merk aangeduide waren en diensten (zie de in punt 23 hierboven aangehaalde rechtspraak).

85 Gelet op al het voorgaande moet het eerste middel worden afgewezen.

Tweede middel: schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 40/94

86 Met haar tweede middel betoogt verzoekster, ondersteund door INTA, in wezen dat de grote kamer van beroep artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 40/94 heeft geschonden.

87 EUIPO, Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland, en SA – Business Iceland betwisten de argumenten van verzoekster en INTA.

88 Aangezien uit artikel 7, lid 1, van verordening nr. 40/94 volgt dat het bestaan van een van de daarin opgesomde absolute weigeringsgronden volstaat om het teken niet als Uniemerk te kunnen inschrijven, en gelet op de afwijzing van verzoeksters eerste middel dat betrekking heeft op de vaststelling van de grote kamer van beroep dat het litigieuze merk op grond van artikel 7, lid 1, onder c), van die verordening nietig moest worden verklaard voor alle erdoor aangeduide waren en diensten, hoeft de gegrondheid van verzoeksters tweede middel, dat is ontleend aan schending van artikel 7, lid 1, onder b), van deze verordening, niet te worden onderzocht.

89 Gelet op al het voorgaande dient het tweede middel te worden afgewezen en moet het beroep dus in zijn geheel worden verworpen.

Kosten

90 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

91 Aangezien een terechtzitting heeft plaatsgevonden en verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO, IJsland, Íslandsstofa (Promote Iceland), en SA – Business Iceland te worden verwezen in de kosten.

92 Overeenkomstig artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering zal INTA haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Zevende kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Iceland Foods Ltd wordt verwezen in haar eigen kosten, alsook in die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), Íslandsstofa (Promote Iceland), IJsland en SA – Business Iceland.

3) International Trademark Association (INTA) zal haar eigen kosten dragen.

Kowalik-Bańczyk Buttigieg Dimitrakopoulos Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 juli 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken