Gerecht EU 19 maart 2025, T-142/23, ECLI:EU:T:2025:320
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
19 maart 2025 (*)
„ Mededinging – Mededingingsregelingen – Misbruik van een machtspositie – Markt voor de winning en levering van kwartszand – Besluit tot afwijzing van een klacht – Artikel 7 van verordening (EG) nr. 773/2004 – Motiveringsplicht – Verplichting om alle relevante feitelijke en juridische elementen te onderzoeken – Belang van de Unie ”
In zaak T‑142/23,
Ivo Swenters, wonende te Hasselt (België), vertegenwoordigd door J. Coninx, advocaat,
verzoeker,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Baumé en C. Zois als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: L. Truchot (rapporteur), president, H. Kanninen en M. Sampol Pucurull, rechters,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gezien de maatregel tot organisatie van de procesgang van 11 juni 2024 en het op 25 juni 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoord van de Commissie,
gelet op het feit dat partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na de beslissing krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoeker, Ivo Swenters, nietigverklaring van besluit C(2023) 386 final van de Commissie van 13 januari 2023 tot afwijzing van zijn klacht betreffende de vermeende inbreuk op artikel 101 VWEU door SCR-Sibelco nv (hierna: „Sibelco”), Cimenteries CBR Cementbedrijven nv, Grintbedrijf SBS nv, Kiezelgroeve Varenberg nv, Dragages Graviers et Travaux (Dragratra) nv, Sibelco Nederland bv, Van Nieuwpoort Groep bv, HeidelbergCement AG en Hülskens Holding GmbH & Co. KG (hierna samen: „betrokken ondernemingen”) (zaak AT.40683 – Belgisch zand) alsmede de vermeende inbreuk op artikel 102 VWEU door Sibelco (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoeker is een van de zonen van Mathieu Swenters, een voormalig exploitant van grind in België.
3 In 1973 heeft de provincieraad van Limburg de GOM-Limburg opgericht, een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor de vaststelling van een gewestplan voor het Maasland, de aanduiding van reservegebieden en de toewijzing van rechten voor de winning van granulaten voor die gebieden. Een van die gebieden was de Mechelse Heide, gelegen in de gemeente Maasmechelen (België).
4 Op 22 december 1981 is een pachtovereenkomst gesloten tussen de GOM-Limburg enerzijds en Sibelco, nv Socamprosa, Limburgse Kiezelwasserij LKW, Grintbedrijf SBS en Swenters anderzijds (hierna samen: „vijf exploitanten van grind”), waarbij de GOM-Limburg aan de vijf exploitanten van grind rechten voor de winning van granulaten heeft verleend voor de Mechelse Heide.
5 Op 10 februari 1983 hebben de vijf exploitanten van grind de oprichtingsakte ondertekend van de nv Limburgse Berggrinduitbating (hierna: „LBU”), een gemeenschappelijke onderneming met een kapitaal van 100 000 000 Belgische frank (BEF) (ongeveer 2 479 000 EUR), teneinde te zorgen voor een gezamenlijke exploitatie van de Mechelse Heide. Met een deelneming van 6 300 000 BEF (ongeveer 156 000 EUR) bezat Swenters 6,3 % van het kapitaal van LBU.
6 Op 20 april 1983 hebben de vijf exploitanten van grind met LBU een exploitatieovereenkomst gesloten, waarbij LBU hun het exclusieve recht heeft verleend om in de Mechelse Heide het grind en vulzand te exploiteren. In die overeenkomst werd de exploitatie van kwartszand voorbehouden aan Sibelco en nv Socamprosa.
7 Op 27 september 1983 is tussen de GOM-Limburg en LBU een pachtovereenkomst gesloten, waarbij de rechten en verplichtingen die krachtens de in 1981 gesloten pachtovereenkomst op de vijf exploitanten van grind rustten, aan LBU zijn overgedragen. De pachtovereenkomst werd gesloten voor een duur van twintig jaar. Deze duur werd daarna verlengd tot en met 31 mei 2013.
8 Op 20 december 1988 is een nieuwe pachtovereenkomst gesloten tussen de GOM-Limburg en LBU, waarbij onder dezelfde voorwaarden als die van de in 1983 ondertekende pachtovereenkomst extra exploitatierechten met betrekking tot gronden aan LBU zijn verleend. Deze pachtovereenkomst zou eveneens op 31 mei 2013 eindigen.
9 Swenters is overleden in 1991. Op 2 oktober 1995 hebben zijn vijf erfgenamen, waaronder verzoeker, 75 % van de aandelen van de overledene in LBU overgedragen aan Dragages Graviers et Travaux (Dragratra) nv, voor een bedrag van 86 296 000 BEF (ongeveer 2 139 000 EUR).
10 Op 27 januari 2004 heeft de raad van bestuur van LBU een verklaring aangenomen waarin LBU haar voornemen kenbaar maakte om de in 1983 en 1988 ondertekende pachtovereenkomsten voor het zuidelijke gedeelte van de Mechelse Heide te beëindigen.
11 Op 22 december 2004 is een concessieovereenkomst gesloten tussen de GOM-Limburg en Sibelco, waarbij Sibelco voor een periode tot en met 22 december 2029 het exclusieve recht werd verleend om de zandlagen, waaronder met name kwartszand, op de door de GOM-Limburg beheerde terreinen in de Mechelse Heide.
12 Bij brief van 16 oktober 2019 heeft verzoeker bij de Europese Commissie een klacht ingediend op grond van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) (hierna: „klacht”). Met zijn klacht heeft verzoeker de Commissie verzocht een onderzoek in te stellen naar een vermeende inbreuk op artikel 101 VWEU door de betrokken ondernemingen en naar een vermeende inbreuk op artikel 102 VWEU door Sibelco. Hij heeft tevens aangevoerd dat de aandelen in LBU die in 1995 door de erfgenamen van Swenters waren doorverkocht, als gevolg van deze inbreuken op het mededingingsrecht (zie punt 9 hierboven) waren ondergewaardeerd, waardoor hij schade heeft geleden.
13 Tussen januari 2020 en augustus 2022 hebben de Commissie en verzoeker verschillende brieven uitgewisseld, waarin de Commissie verzoeker om toelichting van de klacht heeft verzocht en aanvullende informatie van hem heeft verkregen.
14 Bij brief van 5 oktober 2022 heeft de Commissie verzoeker, op grond van artikel 7, lid 1, van haar verordening (EG) nr. 773/2004 van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18), meegedeeld dat zij niet voornemens was een onderzoek in te stellen naar de in de klacht aangevoerde feiten. Zij heeft uiteengezet dat er onvoldoende gronden waren om gevolg te geven aan de klacht, aangezien het belang van de Europese Unie daarbij niet groot genoeg was.
15 Om te beginnen heeft de Commissie benadrukt dat de in de klacht gestelde mededingingsverstorende praktijken slechts betrekking leken te hebben op één enkele lidstaat, aangezien de meeste betrokken ondernemingen en de natuurlijke hulpbronnen in kwestie zich in België bevonden en die praktijken uitsluitend in die lidstaat hadden plaatsgevonden. Daarnaast heeft de Commissie opgemerkt dat de winning en de exploitatie van kwartszand waren onderworpen aan nationale, regionale en lokale regelingen, zodat de nationale mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties bij uitstek geschikt bleken om de relevantie van deze rechtsregels bij de beoordeling van de vermeende mededingingsverstorende praktijken te toetsen. Bovendien heeft zij erop gewezen dat de nationale mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties op grond van haar mededeling betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties van de EU-lidstaten bij de toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, C 101, blz. 54), de relevante feiten konden beoordelen om te bepalen of de in de klacht aan de orde gestelde contractuele betrekkingen en handelspraktijken in strijd waren met artikel 101 of 102 VWEU. De Commissie was dan ook van mening dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de beweringen in de klacht te behandelen. Verder was zij van mening dat het feit dat een nationale rechterlijke instantie de vermeende feiten reeds had onderzocht in het kader van twee procedures, rechtvaardigde dat zij geen parallel onderzoek instelde.
16 Bij e-mail van 2 november 2022 heeft verzoeker schriftelijke opmerkingen ingediend, waarin hij de Commissie heeft verzocht haar standpunt te herzien en een onderzoek naar de betrokken praktijken in te stellen. Hij was van mening dat de Belgische nationale rechterlijke instanties en nationale mededingingsautoriteiten niet geschikt waren om de beweringen in zijn klacht te behandelen.
17 Op 13 januari 2023 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld, waarbij zij de klacht heeft afgewezen op grond van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 773/2004. Zij herhaalde dat het belang van de Unie niet groot genoeg was om te rechtvaardigen dat zij de in de klacht aangevoerde feiten zou onderzoeken, en baseerde zich in dat verband op dezelfde gronden als die welke in de brief van 5 oktober 2022 waren uiteengezet (zie punt 15 hierboven) Zij heeft tevens verduidelijkt dat het feit dat Sibelco een multinationale onderneming was met een „sterke marktpositie” in verschillende lidstaten van de Unie, in casu niet relevant was, aangezien de vermeende mededingingsverstorende praktijken beperkt leken te zijn tot het Belgische grondgebied, hetgeen een aanwijzing vormde dat de autoriteiten en rechterlijke instanties van die lidstaat geschikt waren om de beweringen in de klacht te behandelen.
Conclusies van partijen
18 Verzoeker verzoekt het Gerecht:
– het bestreden besluit nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
19 De Commissie verzoekt het Gerecht:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeker in de kosten te verwijzen.
In rechte
20 Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan. Het eerste middel betreft schending van de motiveringsplicht en de „onderzoeksplicht” van de Commissie. Het tweede middel is ontleend aan schending van het begrip „belang van de Unie”.
Eerste middel: schending van de motiveringsplicht en de „onderzoeksplicht” van de Commissie
21 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen die zijn ontleend aan, ten eerste, schending van de motiveringsplicht en, ten tweede, schending door de Commissie van haar „onderzoeksplicht”.
Eerste onderdeel van het eerste middel: schending van de motiveringsplicht
22 Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat daaruit niet naar voren komt dat de aan de Commissie ter kennis gebrachte feitelijke en juridische elementen nauwgezet zijn onderzocht. Volgens verzoeker worden in dit besluit enkel de in tal van besluiten gebruikte standaardformuleringen overgenomen en blijkt bij lezing ervan dat de Commissie van de aangehaalde feiten „amper tot niets [heeft] afgewogen”.
23 De Commissie betwist de stellingen van verzoeker.
24 Volgens vaste rechtspraak is de Commissie, wanneer zij een klacht ontvangt, gehouden alle haar door de klagers ter kennis gebrachte feitelijke en juridische elementen nauwgezet te onderzoeken en heeft een klager het recht zekerheid te verkrijgen over de uitkomst van zijn klacht door middel van een besluit van de Commissie waartegen beroep bij de rechter openstaat (zie in die zin arrest van 15 januari 2015, Ziegler en Ziegler Relocation/Commissie, T‑539/12 en T‑150/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:15, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Meer bepaald geldt voor de Commissie een motiveringsplicht wanneer zij weigert een klacht verder te onderzoeken. Daar de motivering voldoende nauwkeurig en gedetailleerd moet zijn om het Gerecht in staat te stellen de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid bij het stellen van prioriteiten daadwerkelijk te controleren, dient deze instelling alle feitelijke elementen waarvan de rechtvaardiging van de beslissing afhangt en de overwegingen rechtens die haar tot het nemen van die beslissing hebben geleid, uiteen te zetten (zie arrest van 21 januari 2015, easyJet Airline/Commissie, T‑355/13, EU:T:2015:36, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 In de onderhavige zaak blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie haar conclusie dat het belang van de Unie niet groot genoeg was om een onderzoek te rechtvaardigen, heeft gebaseerd op overwegingen die voortvloeiden uit het feit dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de beweringen in de klacht te behandelen. Om te beginnen heeft de Commissie in herinnering gebracht dat de vermeende mededingingsverstorende praktijken slechts betrekking leken te hebben op één enkele lidstaat, aangezien de meeste betrokken ondernemingen alsmede de betreffende natuurlijke hulpbronnen zich in België bevonden en die praktijken uitsluitend in die lidstaat hadden plaatsgevonden. Daarnaast heeft de Commissie opgemerkt dat de winning en de exploitatie van kwartszand onderworpen waren aan nationale, regionale en lokale regelingen, zodat de nationale mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties bij uitstek geschikt bleken om de relevantie van deze rechtsregels bij de beoordeling van de vermeende mededingingsverstorende praktijken te beoordelen. Ten slotte heeft zij nogmaals benadrukt dat de nationale mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties op grond van haar mededeling betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties van de EU-lidstaten bij de toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU], de relevante feiten konden beoordelen om te bepalen of de in de klacht aan de orde gestelde contractuele betrekkingen en handelspraktijken in strijd waren met deze artikelen en, in voorkomend geval, konden besluiten deze te beëindigen en passende sancties op te leggen.
27 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie aan haar motiveringsplicht heeft voldaan door duidelijk en ondubbelzinnig uiteen te zetten welke feitelijke elementen en juridische overwegingen haar hebben gebracht tot het standpunt dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de beweringen in de klacht te behandelen en te besluiten dat het belang van de Unie niet groot genoeg was om een onderzoek te rechtvaardigen. Aangezien deze elementen het Gerecht in staat stellen de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling van het bestreden besluit daadwerkelijk te controleren, is dat besluit dienaangaande toereikend gemotiveerd.
28 Verder moet worden vastgesteld dat verzoeker met zijn betoog waarmee hij de Commissie in essentie verwijt de haar ter kennis gebrachte feiten niet nauwgezet te hebben onderzocht, in feite de gegrondheid van het antwoord op zijn klacht betwist. In dit verband zij er evenwel aan herinnerd dat de motivering van een besluit bestaat in de formele uitdrukking van de gronden waarop dit besluit berust, en een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van die motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft (zie in die zin arrest van 16 juni 2016, SKW Stahl-Metallurgie en SKW Stahl-Metallurgie Holding/Commissie, C‑154/14 P, EU:C:2016:445, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De argumenten ter betwisting van de gegrondheid van het bestreden besluit treffen derhalve geen doel in het kader van dit onderdeel van het eerste middel, dat is ontleend aan schending van de motiveringsplicht.
29 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de „onderzoeksplicht” van de Commissie
30 Verzoeker stelt dat de Commissie haar „onderzoeksplicht” heeft geschonden. Ter ondersteuning van deze stelling voert hij in essentie twee reeksen argumenten aan.
31 Om te beginnen is verzoeker van mening dat de Commissie verschillende in de klacht vervatte bewijselementen die volgens hem elementen vormen die als zodanig mededingingsverstorende praktijken aantonen, onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht. Hij betoogt met name dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de verklaring van de ondernemingen waartegen de klacht was gericht om een verband te leggen tussen de verschillende betrokken pacht- en concessieovereenkomsten. Volgens hem heeft de Commissie evenmin de haar overgelegde overeenkomsten grondig onderzocht.
32 Voorts betoogt verzoeker dat de Commissie de haar in die klacht ter kennis gebrachte elementen onvoldoende heeft onderzocht. Hij verwijt de Commissie met name dat zij geen onderzoek heeft verricht naar de hardekernbeperkingen van de mededinging, die volgens hem nochtans blijken uit de overeenkomsten, noch naar de verbanden tussen de verschillende overeenkomsten, noch naar de relevante markten, en deze markten evenmin heeft bepaald. Tevens verwijt hij de Commissie haar beoordeling te hebben beperkt tot één enkele onderneming, terwijl zij tot een ander standpunt had moeten komen wanneer zij rekening had gehouden met de andere ondernemingen waartegen de klacht was gericht, met name wat betreft de lidstaat waarin de meeste betrokken ondernemingen waren gevestigd en de geografische reikwijdte van de vermeende mededingingsverstorende praktijken.
33 De Commissie betwist verzoekers betoog.
34 In de eerste plaats moet – voor zover verzoekers betoog kan worden opgevat als een verwijt aan de Commissie dat zij niet heeft vastgesteld dat de in de klacht gestelde mededingingsverstorende praktijken bestaan – ter afwijzing van dit betoog in herinnering worden gebracht dat artikel 7 van verordening nr. 773/2004 de klager niet het recht geeft om van de Commissie een definitief besluit over het al dan niet bestaan van de vermeende inbreuk te verlangen en dat het de Commissie niet verplicht de procedure onder alle omstandigheden voort te zetten tot aan een definitief besluit (zie in die zin en naar analogie arrest van 16 mei 2017, Agria Polska e.a./Commissie, T‑480/15, EU:T:2017:339, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Voor zover verzoeker de Commissie met zijn betoog verwijt van mening te zijn dat aan de hand van de beweringen in de klacht niet kon worden vastgesteld of er sprake was van mededingingsverstorende praktijken, moet bovendien worden opgemerkt dat een dergelijk betoog berust op de onjuiste premisse dat de Commissie in het bestreden besluit een standpunt heeft ingenomen over de vraag of die praktijken al dan niet mededingingsverstorend waren. Een dergelijk betoog mist echter feitelijke grondslag. In dat besluit heeft de Commissie namelijk geen standpunt ingenomen over de vraag of de vermeende mededingingsverstorende praktijken al dan niet bestonden en heeft zij enkel geoordeeld dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de in de klacht vervatte beweringen te behandelen, hetgeen haar tot de conclusie heeft gebracht dat het belang van de Unie niet groot genoeg was om een onderzoek te rechtvaardigen.
36 Wat in de tweede plaats verzoekers betoog betreft dat er geen onderzoekshandelingen zijn verricht, zij eraan herinnerd dat als de Commissie niet verplicht is zich uit te spreken over de vraag of er al dan niet sprake is van een inbreuk, zij niet kan worden gedwongen een onderzoek in te stellen, omdat dit slechts tot doel kan hebben bewijselementen op te sporen voor het al dan niet bestaan van een inbreuk die zij niet hoeft vast te stellen (zie beschikking van 26 april 2021, Jouvin/Commissie, T‑472/20 en T‑472/20 AJ II, niet gepubliceerd, EU:T:2021:215, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Uit de rechtspraak blijkt ook dat de Commissie alleen gehouden is de haar door de klager ter kennis gebrachte feitelijke en juridische elementen te onderzoeken. De Commissie kan, in het kader van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een klacht inzake mededinging, evenwel niet worden verweten dat zij geen rekening heeft gehouden met een element dat haar niet door de klager ter kennis is gebracht en dat zij enkel op basis van een onderzoek had kunnen ontdekken (zie in die zin beschikking van 26 april 2021, Jouvin/Commissie, T‑472/20 en T‑472/20 AJ II, niet gepubliceerd, EU:T:2021:215, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Verzoeker kan in casu dus niet op goede gronden stellen dat de Commissie onderzoeksmaatregelen had moeten nemen of onderzoekshandelingen had moeten verrichten naar aanleiding waarvan zij het bestaan van de vermeende mededingingsverstorende praktijken had kunnen vaststellen.
39 Wat in de derde en laatste plaats verzoekers argumenten betreft waarmee hij de Commissie verwijt dat zij verschillende bewijselementen in de klacht onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht, zij eraan herinnerd dat de Commissie weliswaar niet verplicht is een onderzoek in te stellen, maar wel gehouden is de haar door de klager ter kennis gebrachte elementen in feite en in rechte nauwgezet te onderzoeken teneinde binnen een redelijke termijn te beslissen of zij de procedure tot vaststelling van een inbreuk moet inleiden dan wel de klacht moet afwijzen zonder een procedure in te leiden, of de klacht terzijde moet leggen (zie in die zin arrest van 19 mei 2011, Ryanair/Commissie, T‑423/07, EU:T:2011:226, punt 53).
40 In casu blijkt uit de correspondentie tussen verzoeker en de Commissie dat laatstgenoemde de haar door verzoeker ter kennis gebrachte feitelijke en juridische elementen nauwgezet heeft onderzocht. Verzoeker betwist overigens niet dat hij meermaals contact heeft gehad met de diensten van de Commissie en dat die diensten hem onder meer tweemaal, namelijk op 6 januari 2020 en 11 augustus 2022, hebben verzocht om aanvullende informatie betreffende de klacht en in antwoord op die verzoeken aanvullende informatie van hem hebben verkregen (zie punt 13 hierboven). De Commissie heeft de klacht pas afgewezen nadat zij kennis had genomen van de toelichtingen en opmerkingen die door verzoeker in antwoord op de brief van 5 oktober 2022 ex artikel 7, lid 1, van verordening nr. 773/2004 waren ingediend en waarop zij overigens in de punten 28 tot en met 30 van het bestreden besluit heeft geantwoord (zie de punten 14‑17 hierboven).
41 Gelet op de in de klacht genoemde feitelijke en juridische elementen, moet worden geconcludeerd dat de Commissie de klacht op adequate wijze heeft onderzocht.
42 Gelet op een en ander moet het tweede onderdeel van het eerste middel, en dus dit middel in zijn geheel, worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het begrip „belang van de Unie”
43 Verzoeker betoogt dat de Commissie in het bestreden besluit het begrip „belang van de Unie” heeft geschonden. Ter ondersteuning van deze stelling voert hij in essentie aan dat, aangezien de Commissie van mening was dat de gestelde mededingingsverstorende praktijken slechts betrekking leken te hebben op één enkele lidstaat, de beoordeling dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt zijn om de beweringen in de klacht te behandelen op feitelijke onjuistheden en een onjuiste toepassing van het recht berust, en een kennelijke beoordelingsfout bevat. Volgens verzoeker blijkt het belang van de Unie juist alleen al uit het feit dat de vermeende praktijken kunnen leiden tot aanzienlijke verstoringen van de interne markt, in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 23 april 2009, AEPI/Commissie (C‑425/07 P, EU:C:2009:253).
44 Verzoeker voert ter ondersteuning van het tweede middel in essentie vier reeksen argumenten aan die ertoe strekken aan te tonen dat de vermeende mededingingsverstorende praktijken aanzienlijke verstoringen van de interne markt kunnen veroorzaken.
45 Met de eerste reeks argumenten betoogt verzoeker dat de zaak een internationale reikwijdte heeft, aangezien de klacht is gericht tegen negen ondernemingen, waaronder twee Nederlandse en twee Duitse ondernemingen. Hij is van mening dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de feiten door onvoldoende rekening te houden met dit element en door haar beoordeling te beperken tot de situatie van Sibelco.
46 Met de tweede reeks argumenten voert verzoeker aan dat de gevolgen van de vermeende mededingingsverstorende praktijken, die begin jaren 80 zijn begonnen, tot ten minste 2029 zullen voortduren, hetgeen de Commissie bij de motivering van de afwijzing van de klacht niet in aanmerking heeft genomen. Hij is van mening dat de Commissie het meest geschikt was om een dermate lange tijdsspanne te onderzoeken en de gepaste maatregelen te nemen.
47 Met de derde reeks argumenten stelt verzoeker dat de nationale rechtsmiddelen ontoereikend zijn om de vermeende mededingingsverstorende praktijken tegen te gaan, zodat het recht onjuist wordt toegepast bij de bewering van de Commissie dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt zijn om de beweringen in de klacht te behandelen. Ten eerste betoogt hij dat de onderzoeksmiddelen waarover de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties beschikken, ontoereikend zijn, met name in vergelijking met die van de Commissie, die overigens als „centrale instelling” optreedt. Ten tweede voert hij aan dat de beoordeling van de Commissie dat het beter is om geen parallel onderzoek in te stellen omdat er ook een nationale gerechtelijke procedure loopt, onjuist is, aangezien die procedure slechts betrekking heeft op een van de ondernemingen waartegen de klacht is gericht en op een aantal van de beweringen in de klacht.
48 Met de vierde en laatste reeks argumenten wijst verzoeker op de bijzonderheden van de relevante markt en van de vermeende mededingingsverstorende praktijken in het licht van het economische belang van kwartszand en bijgevolg het belang van die praktijken gelet op de daardoor teweeggebrachte verstoring van de mededinging op de interne markt.
49 De Commissie betwist de stellingen van verzoeker.
50 Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie, die ingevolge artikel 105, lid 1, VWEU over de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU dient te waken, het mededingingsbeleid van de Unie bepalen en uitvoeren, en beschikt zij daartoe over een beoordelingsbevoegdheid bij de behandeling van klachten. Om deze taak naar behoren te kunnen vervullen, mag zij tussen de bij haar ingediende klachten prioriteiten stellen (zie arrest van 16 mei 2017, Agria Polska e.a./Commissie, T‑480/15, EU:T:2017:339, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 De Commissie mag, wanneer zij in de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid bij de behandeling van klachten beslist aan de bij haar ingediende klachten verschillende prioriteiten toe te kennen, niet alleen de volgorde bepalen waarin de klachten zullen worden onderzocht, maar eveneens een klacht afwijzen wegens ontoereikend belang van de Unie om het onderzoek van de zaak voort te zetten. Daar de beoordeling van het belang van de Unie bij een klacht afhangt van de feitelijke en juridische omstandigheden van elk individueel geval, mogen er geen beperkingen worden gesteld aan het aantal beoordelingscriteria dat de Commissie kan hanteren, en mag zij evenmin worden verplicht uitsluitend bepaalde criteria te hanteren (zie arrest van 16 mei 2017, Agria Polska e.a./Commissie, T‑480/15, EU:T:2017:339, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien de feitelijke en juridische context op een gebied als dat van het mededingingsrecht van geval tot geval aanmerkelijk kan verschillen, is het geoorloofd om criteria toe te passen die aanmerkelijk kunnen verschillen, in plaats van vooraf gedefinieerde criteria die verplicht moeten worden toegepast, of om criteria te gebruiken die voorheen nog niet in aanmerking waren genomen, of om de voorkeur te geven aan één enkel criterium ter beoordeling van dit belang van de Unie (zie arrest van 26 september 2018, EAEPC/Commissie, T‑574/14, EU:T:2018:605, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Wanneer de gevolgen van de in een klacht gestelde inbreuken in essentie alleen op het grondgebied van één enkele lidstaat voelbaar zijn en de klager geschillen over deze inbreuken voor de bevoegde rechters en bestuursinstanties van deze lidstaat heeft gebracht, mag de Commissie de klacht dus wegens onvoldoende belang van de Unie afwijzen op voorwaarde evenwel dat de nationale instanties de rechten van de klager naar behoren kunnen beschermen, waartoe zij alle feitelijke elementen moeten kunnen verzamelen om te bepalen of de betrokken praktijken een inbreuk vormen op de artikelen 101 en 102 VWEU (zie arrest van 9 februari 2022, Sped-Pro/Commissie, T‑791/19, EU:T:2022:67, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 In punt 10 van de mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten (PB 2004, C 101, blz. 43) wordt voorts verduidelijkt dat één enkele nationale mededingingsautoriteit gewoonlijk geschikt is om overeenkomsten of praktijken aan te pakken die met name op haar grondgebied de mededinging merkbaar beïnvloeden, terwijl de Commissie volgens punt 14 van de mededeling bij uitstek geschikt is om een zaak te behandelen wanneer met name een of meer overeenkomsten of praktijken, netwerken van soortgelijke overeenkomsten of praktijken inbegrepen, in meer dan drie lidstaten gevolgen hebben voor de mededinging.
54 Wanneer de Commissie het belang van de Unie beoordeelt in het kader van een klacht, is haar beoordelingsbevoegdheid echter niet onbeperkt. Zij moet immers alle relevante feitelijke en juridische elementen waarvan de klager haar op de hoogte heeft gesteld, aandachtig onderzoeken en in aanmerking nemen om over het aan de klacht te geven gevolg te beslissen. Indien zij besluit om geen onderzoek in te stellen, is zij niet verplicht om ter staving van dat besluit te bewijzen dat er geen inbreuk werd gepleegd (zie arrest van 16 mei 2017, Agria Polska e.a./Commissie, T‑480/15, EU:T:2017:339, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 In een dergelijke situatie dient het Gerecht dus niet na te gaan of de klager in zijn klacht voldoende gegevens had verstrekt op basis waarvan kon worden vastgesteld dat het mededingingsrecht was geschonden, maar wel of uit het bestreden besluit blijkt dat de Commissie een afweging heeft gemaakt tussen de mate waarin de gestelde inbreuk de werking van de gemeenschappelijke markt kan aantasten, de waarschijnlijkheid dat zij het bestaan ervan kan aantonen en de reikwijdte van de onderzoeksmaatregelen die nodig zijn om onder optimale voorwaarden te waken over de eerbiediging van de artikelen 101 en 102 VWEU. Bij de toetsing mag de rechter van de Unie bovendien niet zijn beoordeling van het belang van de Unie in de plaats stellen van die van de Commissie (zie arrest van 16 mei 2017, Agria Polska e.a./Commissie, T‑480/15, EU:T:2017:339, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 In de onderhavige zaak blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie haar conclusie dat het belang van de Unie niet groot genoeg was om een onderzoek te rechtvaardigen, uitsluitend heeft gebaseerd op het criterium dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de beweringen in de klacht te behandelen. De afwijzing van de klacht berustte op vier feitelijke en juridische elementen, te weten, ten eerste, de plaats van de vermeende inbreuk en de nationaliteit van de betrokken ondernemingen, ten tweede, de nationale, regionale en lokale aard van de regels inzake de winning en de exploitatie van kwartszand in België, ten derde, de bevoegdheid en de middelen waarover de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties beschikken om op te treden en, ten vierde, het feit dat er bij die rechterlijke instanties hogerberoepsprocedures aanhangig waren.
57 Dienaangaande blijkt uit de in de punten 51 en 52 hierboven genoemde rechtspraak dat de Commissie, al naargelang de feitelijke en juridische omstandigheden van elke zaak, op goede gronden kan beoordelen of de Unie voldoende belang heeft bij het onderzoek van een klacht door prioriteit te geven aan het criterium dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt zijn om de beweringen in die klacht te behandelen, met uitsluiting van elk ander beoordelingscriterium. Uit dezelfde rechtspraak blijkt dat de Commissie in dat geval met name wordt opgeroepen om, ten eerste, te onderzoeken op het grondgebied van welke lidstaten de gevolgen van de in een klacht gestelde inbreuken in essentie voelbaar zijn en, ten tweede, na te gaan of de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties van die lidstaten de rechten van de klager naar behoren kunnen beschermen.
58 Vastgesteld moet dus worden dat de Commissie, door prioriteit te geven aan het criterium dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de beweringen in de klacht te behandelen teneinde te beoordelen of de Unie voldoende belang had bij het onderzoek van die klacht, zonder het recht onjuist toe te passen heeft kunnen afzien van een onderzoek naar aanzienlijke verstoringen van de interne markt, die een van de criteria kunnen vormen om te beoordelen of er sprake was van een dergelijk belang van de Unie.
59 Hieruit volgt dat de tweede reeks argumenten (zie punt 46 hierboven) en de vierde reeks argumenten (zie punt 48 hierboven), waarmee verzoeker de Commissie verwijt noch de duur van de vermeende inbreuken, noch de ernst en omvang van de gestelde praktijken in aanmerking te hebben genomen teneinde aan te tonen dat de in de klacht gestelde praktijken de interne markt aanzienlijk kunnen verstoren, als niet ter zake dienend moeten worden afgewezen. In het bestreden besluit heeft de Commissie immers niet aan de hand van dit laatste criterium beoordeeld of de Unie een voldoende belang had om die klacht te onderzoeken.
60 Bijgevolg hoeft alleen de gegrondheid te worden onderzocht van de argumenten waarmee wordt opgekomen tegen de conclusie dat het belang van de Unie niet groot genoeg was om een onderzoek te rechtvaardigen op basis van het criterium dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de in de klacht vervatte beweringen te behandelen.
61 De eerste en de derde reeks argumenten die verzoeker in het kader van het tweede middel heeft aangevoerd, moeten in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.
Eerste reeks argumenten: de vermeende internationale reikwijdte van de zaak
62 Wat betreft verzoekers betoog inzake de geografische reikwijdte van de vermeende mededingingsverstorende praktijken, waarmee hij aanvoert dat die praktijken – anders dan de Commissie in het bestreden besluit heeft gesteld – niet uitsluitend in België plaatsvinden aangezien kwartszand en grind in verschillende lidstaten van de Unie worden verkocht, moet worden vastgesteld dat uit de klacht blijkt dat deze praktijken betrekking hadden op de verdeling van de exploitatie van kwartszand en grind in de Mechelse Heide, en dus op het recht van toegang tot die grondstoffen in dat gebied. Los van de vraag naar de precieze territoriale reikwijdte van de betreffende praktijken, hadden zij dus uitsluitend betrekking op de toegang tot grondstoffen in Maasmechelen in België. De Commissie kan dus niet worden verweten dat zij in het bestreden besluit heeft geoordeeld dat dergelijke praktijken uitsluitend in België plaatsvonden.
63 Hieruit volgt dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de feiten en evenmin een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in het bestreden besluit te oordelen dat de vermeende mededingingsverstorende praktijken uitsluitend plaatsvonden in België. Overigens zij opgemerkt dat verzoeker in het verzoekschrift zelf erkent dat „de ontginningen van zowel het kwartszand als het grind zich in België [bevinden]”.
64 Hoe dan ook moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de territoriale reikwijdte van de in een klacht gestelde inbreuken geen beslissend criterium is om te bepalen of de Unie voldoende belang heeft bij het inleiden van een procedure. Gesteld al dat de vermeende inbreuken betrekking hadden op het grondgebied van meerdere lidstaten of zelfs van de Unie, moet dus worden vastgesteld dat dit argument in strijd is met de vaste rechtspraak die in punt 51 hierboven is aangehaald. Dit argument komt er namelijk op neer dat de Commissie wordt geacht verplicht te zijn een onderzoek in te stellen op de enkele grond dat de gestelde inbreuken betrekking hebben op meerdere lidstaten, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van de artikelen 101 en 102 VWEU (zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Fakro/Commissie, C‑149/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:517, punt 160 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Wat voorts verzoekers verwijt aan de Commissie betreft dat zij van mening was dat het merendeel van de ondernemingen waartegen de klacht was gericht in België waren gevestigd, zij opgemerkt dat de Commissie de negen ondernemingen waartegen verzoekers klacht was gericht in punt 1 van het bestreden besluit heeft vermeld en heeft vastgesteld dat vijf daarvan in België waren gevestigd.
66 Uit het bestreden besluit blijkt dus dat de meeste van de genoemde ondernemingen zijn gevestigd in België. Bovendien kan het feit dat de betrokken ondernemingen via afzonderlijke vennootschappen werken, gesteld al dat dit juist is, geen afbreuk doen aan de beoordeling van de Commissie met betrekking tot de plaats van vestiging van die ondernemingen.
67 Hieruit volgt dat de Commissie de feiten niet onjuist heeft opgevat door in het bestreden besluit vast te stellen dat het merendeel van de ondernemingen waartegen de klacht was gericht, in België was gevestigd.
68 Uit een en ander volgt dat de eerste reeks argumenten moet worden afgewezen.
Derde reeks argumenten: de vermeende ontoereikendheid van de nationale rechtsmiddelen
69 Met betrekking tot de derde reeks argumenten, waarmee verzoeker stelt dat de nationale rechtsmiddelen ongeschikt zijn om de vermeende mededingingsverstorende praktijken tegen te gaan, moet worden opgemerkt dat er bij deze argumenten van uit wordt gegaan dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties – anders dan de Commissie – niet beschikken over voldoende onderzoeksmiddelen en evenmin bevoegd zijn om gepaste maatregelen vast te stellen. Volgens verzoeker impliceert de langdurigheid van de vermeende praktijken namelijk dat een lange tijdsspanne moet worden onderzocht en dat gepaste maatregelen moeten worden genomen. Enkel de Commissie beschikt over de nodige middelen om dergelijke verrichtingen uit te voeren. Verder vereist een dergelijk onderzoek een beschrijving van de precieze aandelenstructuur van de ondernemingen waartegen de klacht is gericht, waartoe alleen de Commissie in staat is. Verzoeker leidt hieruit in essentie af dat de tekortkomingen of gebreken van de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties afbreuk doen aan zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming.
70 Zoals in punt 56 hierboven in herinnering is gebracht, heeft de Commissie in het bestreden besluit de afwijzing van de klacht gebaseerd op de grond dat de Belgische nationale autoriteiten en rechterlijke instanties geschikt waren om de beweringen in de klacht te behandelen, welke grond deels was gebaseerd op, ten eerste, het feit dat zij de relevante feiten konden onderzoeken en, in voorkomend geval, ervoor konden zorgen dat een eventuele inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU werd beëindigd en, ten tweede, het feit dat er bij die rechterlijke instanties hogerberoepsprocedures aanhangig waren.
71 Verzoeker betoogt om te beginnen dat de Belgische Mededingingsautoriteit enerzijds en de Belgische rechterlijke instanties anderzijds er niet voor konden zorgen dat de klacht doeltreffend werd behandeld. Deze twee stellingen moeten derhalve achtereenvolgens worden onderzocht.
72 Wat in de eerste plaats de Belgische Mededingingsautoriteit betreft, moet worden opgemerkt dat de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten krachtens de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 1/2003 parallelle bevoegdheden hebben om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen en dat de opzet van deze verordening op een nauwe samenwerking tussen beide berust (arrest van 16 oktober 2013, Vivendi/Commissie, T‑432/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:538, punt 26). Daarentegen bevat noch verordening nr. 1/2003, noch de mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties van de EU-lidstaten bij de toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU] een regel voor de verdeling van de bevoegdheid tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten, noch scheppen zij rechten voor, of wekken zij verwachtingen bij, een onderneming met betrekking tot de behandeling van haar zaak door een bepaalde mededingingsautoriteit (zie arrest van 26 september 2018, EAEPC/Commissie, T‑574/14, EU:T:2018:605, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Gelet op het bij verordening nr. 1/2003 ingevoerde stelsel van samenwerking tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten, moet worden vastgesteld dat de Commissie mag vermoeden dat de nationale autoriteiten het vermogen hebben om op doeltreffende en uniforme wijze uitvoering te geven aan de mededingingsregels van de artikelen 101 en 102 VWEU (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 september 2016, Trajektna luka Split/Commissie, T‑70/15, EU:T:2016:592, punt 53).
74 In casu kon de Commissie er dus van uitgaan dat de Belgische Mededingingsautoriteit de capaciteit had om de mededingingsregels van de artikelen 101 en 102 VWEU op doeltreffende en uniforme wijze toe te passen en mocht zij met name denken dat deze autoriteit in staat was om op nationaal niveau gevolg te geven aan de zaak die voorwerp van de klacht was, door alle noodzakelijke bewijzen te verkrijgen, mede door gebruik te maken van de samenwerkingsmechanismen als bedoeld in de artikelen 12 en 15 van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arrest van 26 september 2018, EAEPC/Commissie, T‑574/14, EU:T:2018:605, punt 127).
75 Wat in de tweede plaats de nationale rechterlijke instanties betreft, zij eraan herinnerd dat zowel de Commissie als de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen. Deze toekenning van bevoegdheden wordt overigens gekenmerkt door de verplichting tot loyale samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties (zie arrest van 30 september 2016, Trajektna luka Split/Commissie, T‑70/15, EU:T:2016:592, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In geval van twijfel kan de nationale rechter het Hof een prejudiciële vraag stellen (arrest van 18 september 1992, Automec/Commissie, T‑24/90, EU:T:1992:97, punt 92).
76 Verzoeker stelt evenwel dat een versnipperd behandelen van de vermeende mededingingsverstorende praktijken op nationaal niveau tot procedurele belemmeringen zou leiden, zoals de verjaring van zijn beroep en een ontbreken van procesbelang en procesbevoegdheid zijnerzijds om bepaalde vorderingen in te stellen.
77 Niettemin moet worden vastgesteld dat verzoeker zijn stelling dat er sprake is van de door hem gestelde procedurele belemmeringen, op geen enkele wijze onderbouwt. Aangezien de bewijslast op verzoeker rust, moeten die beweringen dus worden afgewezen.
78 De Commissie heeft derhalve geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in de punten 21 en 22 van het bestreden besluit te stellen dat de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties de relevante feiten konden onderzoeken en, in voorkomend geval, ervoor konden zorgen dat een eventuele inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU werd beëindigd.
79 Voor zover verzoeker de beoordeling betwist dat het feit dat er bij de Belgische rechterlijke instanties een procedure aanhangig was in casu rechtvaardigde dat de Commissie geen parallel onderzoek verrichtte, zij er bovendien op gewezen dat de Commissie in de punten 24 en 25 van het bestreden besluit op basis van de klacht en de daarbij gevoegde documenten heeft vastgesteld dat verzoeker twee beroepen had ingesteld bij de rechtbank van koophandel te Tongeren (België), thans de ondernemingsrechtbank Antwerpen (België), het eerste tegen Dragratra en Sibelco en het tweede tegen Sibelco. Zij heeft opgemerkt dat deze rechterlijke instanties de op de artikelen 101 en 102 VWEU gebaseerde argumenten van verzoeker hadden onderzocht en afgewezen, en dat verzoeker tegen elk van deze twee beslissingen hoger beroep had ingesteld bij het hof van beroep Antwerpen (België), dat hangende was toen de klacht werd ingediend.
80 Uit de rechtspraak blijkt dat de omstandigheid dat de vraag of een mededingingsregeling of een praktijk verenigbaar is met de artikelen 101 of 102 VWEU reeds aan een nationale rechter of een nationale mededingingsautoriteit is voorgelegd, een element is dat de Commissie bij de beoordeling van het belang van de Unie in aanmerking mag nemen [zie beschikking van 19 maart 2012, Associazione „Giùlemanidallajuve”/Commissie, T‑273/09, EU:T:2012:129, punt 67 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
81 In casu kon de Commissie dus rekening houden met het feit dat er bij die nationale rechterlijke instanties gerechtelijke procedures liepen. De Commissie kan dus niet worden verweten dat zij het recht onjuist heeft toegepast toen zij oordeelde dat de aanhangigmaking bij nationale gerechten een relevant criterium was om de klacht af te wijzen.
82 Verzoeker stelt evenwel dat de betreffende gerechtelijke procedures, die aanhangig waren toen het beroep in de onderhavige zaak werd ingediend, uitsluitend waren gericht tegen Sibelco en niet tegen de acht andere ondernemingen waartegen de klacht was gericht. Voorts is de strekking van die gerechtelijke procedures beperkt, aangezien zij enkel zijn gericht op toekenning van een schadevergoeding, terwijl een door de Commissie gevoerde procedure een vergoeding in natura mogelijk maakt.
83 Opgemerkt moet worden dat – zoals blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde beslissingen van het hof van beroep Antwerpen – de betreffende gerechtelijke procedures bij de Belgische rechter zijn ingeleid, de eerste tegen Sibelco en de tweede tegen Sibelco en Dragratra. Zoals verzoeker aangeeft, zijn die gerechtelijke procedures dus niet ingesteld tegen alle ondernemingen waartegen de klacht is gericht.
84 Bovendien hebben de betreffende gerechtelijke procedures enkel tot doel verzoeker een schadevergoeding toe te kennen en beweerdelijk met het mededingingsrecht van de Unie strijdige overeenkomsten nietig te verklaren, terwijl de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit, door een onderzoek te verrichten, met name op grond van de bepalingen van hoofdstuk II van verordening nr. 1/2003 de beëindiging van een inbreuk kan bevelen, voorlopige maatregelen kan opleggen, toezeggingen kan aanvaarden of geldboeten of dwangsommen kan opleggen, teneinde de mededinging op de interne markt te beschermen.
85 In dit verband moet worden opgemerkt dat in punt 4 van de mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties van de EU-lidstaten bij de toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU] wordt vermeld dat „wanneer natuurlijke personen of rechtspersonen hem verzoeken hun individuele rechten te beschermen, [...] de nationale rechter een specifieke rol [speelt] bij de handhaving van [die artikelen], welke verschilt van de handhaving in het algemeen belang door de Commissie of de nationale mededingingsautoriteiten. De nationale rechter kan immers uitvoering geven aan [die artikelen] door de nietigheid van overeenkomsten vast te stellen of schadevergoeding toe te kennen.”
86 De betreffende gerechtelijke procedures, die door verzoeker bij de Belgische rechterlijke instanties zijn ingeleid, dienen dus – zoals hij uiteenzet – niet hetzelfde doel als een onderzoek dat door de Commissie zou zijn verricht, aangezien de Commissie bij de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU handelt in het algemeen belang en niet in het belang van een klager.
87 Evenwel zet verzoeker om te beginnen in het verzoekschrift niet uiteen waarom hij zijn beroepen bij de nationale rechterlijke instanties niet tegen alle ondernemingen heeft gericht, noch waarom het feit dat zijn beroepen niet tegen die ondernemingen zijn gericht, hem niet in staat stelt zijn individuele rechten te doen gelden.
88 Overweging 7 van verordening nr. 1/2003 luidt: „De nationale rechterlijke instanties [...] beschermen de uit het [Unierecht] voortvloeiende subjectieve rechten door geschillen tussen particulieren te beslechten, met name door aan de slachtoffers van inbreuken schadevergoeding toe te kennen.” Gesteld al dat de Belgische rechter niet bevoegd is om bepaalde positieve maatregelen of sancties op te leggen die vergelijkbaar zijn met die welke de Commissie kan opleggen, blijkt uit de rechtspraak dat deze beperking van zijn bevoegdheden verzoeker hoe dan ook niet belet om voldoende bescherming van de door de artikelen 101 en 102 VWEU verleende rechten te verkrijgen (zie in die zin arresten van 18 september 1992, Automec/Commissie, T‑24/90, EU:T:1992:97, punt 93, en 3 juli 2007, Au Lys de France/Commissie, T‑458/04, niet gepubliceerd, EU:T:2007:195, punt 90) en dus om zijn rechten te doen gelden.
89 Daarnaast betoogt verzoeker niet dat hij geen klacht heeft kunnen indienen bij de Belgische Mededingingsautoriteit. Evenmin zet hij uiteen waarom hij zich niet heeft gewend tot die nationale autoriteit, waaraan verordening nr. 1/2003 bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU verleent die gelijkwaardig zijn aan die van de Commissie.
90 Artikel 5 van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat „[d]e mededingingsautoriteiten van de lidstaten [...] in individuele gevallen bevoegd [zijn] tot toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU].” Uit het dossier blijkt dus niet dat verzoeker geen rechtsmiddel ter beschikking stond op grond waarvan op nationaal niveau een onderzoek had kunnen worden verricht dat gelijkwaardig was met het onderzoek dat de Commissie had kunnen instellen, en in de loop waarvan die autoriteit de prerogatieven als bedoeld in verordening nr. 1/2003 had kunnen uitoefenen.
91 De Commissie heeft derhalve geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te beweren dat het feit dat een nationale rechter haar grieven inzake schending van de artikelen 101 en 102 VWEU reeds had onderzocht, rechtvaardigde dat zij geen parallel onderzoek instelde.
92 Uit een en ander volgt dat de derde reeks argumenten moet worden afgewezen.
93 Hieruit volgt dat het tweede middel en derhalve het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
94 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Negende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Ivo Swenters wordt verwezen in de kosten.
Truchot Kanninen Sampol Pucurull
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 maart 2025.
De griffier De president
V. Di Bucci M. van der Woude
* Procestaal: Nederlands.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 9 februari 2022, T-791/19, ECLI:EU:T:2022:67
- Gerecht EU 26 september 2018, T-574/14, ECLI:EU:T:2018:605
- Gerecht EU 16 mei 2017, T-480/15, ECLI:EU:T:2017:339
- Gerecht EU 30 september 2016, T-70/15, ECLI:EU:T:2016:592
- HvJ EU 16 juni 2016, C-154/14, ECLI:EU:C:2016:445
- Gerecht EU 21 januari 2015, T-355/13, ECLI:EU:T:2015:36
- Gerecht EU 19 mei 2011, T-423/07, ECLI:EU:T:2011:226
- HvJ EU 23 april 2009, C-425/07, ECLI:EU:C:2009:253
- Gerecht EU 3 juli 2007, T-458/04, ECLI:EU:T:2007:195
- Gerecht EU 18 september 1992, T-24/90, ECLI:EU:T:1992:97