Gerecht EU 11 december 2024, T-179/23, ECLI:EU:T:2024:897
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
11 december 2024 ( *1 )
„Institutioneel recht – Overeenkomst tussen de Raad en vak- of beroepsorganisaties ter uitvoering van artikel 10 quater van het Statuut – Procedure voor de verificatie van de criteria voor erkenning en representativiteit van vak- of beroepsorganisaties – Nota waarbij kennis wordt gegeven van de uitkomst van de verificatieprocedure – Motiveringsplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Beginsel van uitvoering te goeder trouw – Vrijheid van vakvereniging”
In zaak T‑179/23,
Section Conseil de la Fédération de la fonction publique européenne (FFPE section Conseil), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door A. Champetier en S. Rodrigues, advocaten,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en I. Demoulin als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, L. Truchot (rapporteur), H. Kanninen, M. Sampol Pucurull en T. Tóth, rechters,
griffier: L. Ramette, administrateur,
gezien de beschikking van 9 juni 2023, FFPE section Conseil/Raad (T‑179/23 R, niet gepubliceerd, EU:T:2023:328),
gezien de stukken,
na de terechtzitting van 12 juli 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep vordert verzoekster, de section Conseil de la Fédération de la fonction publique européenne (FFPE section Conseil), op grond van artikel 263 VWEU, nietigverklaring van de nota van de Raad van de Europese Unie van 3 april 2023 betreffende de uitkomst van de tweede op haar betrekking hebbende verificatieprocedure, voor zover daarbij de haar als representatieve vak- of beroepsorganisatie (hierna: „VBO”) verleende rechten worden geschorst (hierna: „bestreden besluit”), en, op grond van artikel 268 VWEU, vergoeding van de immateriële schade die zij daardoor zou hebben geleden.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Artikel 10 quater van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt dat „[e]lke instelling […] met haar representatieve [VBO’s] overeenkomsten over haar personeel [kan] sluiten. Deze overeenkomsten mogen niet leiden tot wijziging van het Statuut of tot budgettaire verplichtingen, noch gevolgen hebben voor het functioneren van de betrokken instelling. De representatieve [VBO’s] waarmee dergelijke overeenkomsten gesloten worden, handelen in elke instelling met inachtneming van de statutaire bevoegdheden van het personeelscomité.”
3 Ter uitvoering van deze bepaling hebben de Raad en een aantal VBO’s van het secretariaat-generaal van de Raad (SGR), waaronder verzoekster, op 28 maart 2006 te Brussel (België) een document ondertekend met als opschrift „Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de vak- of beroepsorganisaties van het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad”, met het oog op de vaststelling van de criteria voor erkenning en representativiteit van de VBO’s van de Raad (hierna: „Overeenkomst”).
4 Ten eerste formuleert artikel 2 van de Overeenkomst, dat de erkenning van de VBO’s betreft, het beginsel dat de VBO’s van het personeel van het SGR officieel moeten worden erkend. Zo preciseert artikel 2, lid 2, onder f), van de Overeenkomst dat vak- of beroepsorganisaties die het bewijs leveren dat zij binnen het SGR beschikken over ten minste 60 leden die de status van actief en passief kiesgerechtigde hebben bij de verkiezingen van het personeelscomité en de bijdrage aan hun VBO hebben betaald (hierna: „erkenningsdrempel”), als VBO worden erkend.
5 Volgens artikel 13 van de Overeenkomst hebben erkende VBO’s de mogelijkheid om gebruik te maken van de vertaal-, reproductie-, verspreidings- en communicatiemiddelen van het SGR, met inbegrip van een „homepage” op zijn intranetsite, om in de gebouwen van het SGR buiten werkuren vergaderingen te houden, om over een met andere erkende VBO’s te delen standaardkantoor te beschikken en om hun verantwoordelijken of afgevaardigden bijzonder verlof van maximaal vier dagen per jaar toe te kennen teneinde hen in staat te stellen buiten het SGR deel te nemen aan vakbondsvergaderingen of -congressen, alsmede bijzonder opleidingsverlof voor vakbondsopleidingen op dezelfde voet als voor beroepsopleidingen.
6 Ten tweede bepaalt artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst, betreffende de representativiteit van de VBO’s, dat de Raad erkende VBO’s als representatief binnen het SGR erkent mits zij binnen deze instelling over ten minste 300 leden beschikken die de status van actief en passief kiesgerechtigde hebben bij de verkiezingen van het personeelscomité en de bijdrage aan hun VBO hebben betaald, waaronder maximaal 50 leden die voormalige ambtenaren of andere personeelsleden van het SGR die communautaire pensioengerechtigde VBO-leden zijn (hierna: „representativiteitsdrempel”).
7 Volgens een bij de Overeenkomst gevoegd document met als titel „Wijze van terbeschikkingstelling van middelen aan representatieve VBO’s in de zin van artikel 4 van de Overeenkomst” (hierna: „bijlage”), hebben de representatieve VBO’s van het SGR recht op de tijdelijke terbeschikkingstelling van personeelsleden, secretariaatsondersteuning, uitgeruste kantoren en mobiele telefoons voor elke functionaris die voltijds ter beschikking wordt gesteld, en op collectieve toegang tot een multifunctionele ruimte van 27 m2.
8 Bovendien bepaalt artikel 5, lid 1, van de Overeenkomst, betreffende de verificatie van bepaalde criteria voor erkenning en representativiteit van de VBO’s, dat het aantal VBO-leden die de Overeenkomst hebben ondertekend (hierna: „medeondertekenende VBO’s”) bij een verklaring op erewoord van de voorzitter van elk van deze VBO’s wordt meegedeeld aan een in onderlinge overeenstemming gekozen onafhankelijk orgaan, met vermelding van het aantal personen dat ambtenaar of ander personeelslid van het SGR is en het aantal personen met de hoedanigheid van voormalig ambtenaar of ander personeelslid van het SGR dat een communautair pensioen geniet.
9 Deze bepaling preciseert eveneens dat het in punt 8 hierboven genoemde onafhankelijke orgaan moet nagaan of de medeondertekenende VBO’s met name de erkennings- en representativiteitsdrempels behalen en moet bepalen wat het relatieve gewicht van elke representatieve VBO is (hierna: „verificatieprocedure”). Na afloop van deze verificatieprocedure moet dat orgaan de betrokken VBO’s en het tot aanstelling bevoegd gezag in kennis stellen van de uitkomst van zijn bevindingen, zonder evenwel enige in het kader van die procedure verkregen informatie openbaar te maken.
10 Ten slotte wordt in artikel 5, lid 3, eerste alinea, van de Overeenkomst bepaald dat de in punt 8 hierboven bedoelde verklaring op erewoord en de verificatieprocedure om de drie jaar alsmede bij elke aanvraag tot toetreding van een nieuwe VBO tot de Overeenkomst wordt afgegeven respectievelijk wordt uitgevoerd.
11 Bij nota van 29 maart 2022 heeft het directoraat-generaal Organisatieontwikkeling en Diensten van het SGR de medeondertekenende VBO’s in kennis gesteld van de uitvoering van een verificatieprocedure overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst.
12 Op 3 en 17 mei 2022 heeft het SGR vergaderingen met de medeondertekenende VBO’s gehouden, waarbij het hun de ontwerpopdrachtbrief heeft voorgelegd die moest worden toegezonden aan het in artikel 5 van de Overeenkomst genoemde onafhankelijke orgaan (hierna: „eerste opdrachtbrief”). Tijdens deze vergaderingen hebben de vertegenwoordigers van de drie medeondertekenende VBO’s de wens geuit dat de referentiedatum die door dit orgaan in aanmerking moet worden genomen bij het opstellen van de lijsten van hun leden (hierna: „eerste referentiedatum”) zou worden vastgesteld op 31 juli 2022.
13 Op 17 juni 2022 heeft het SGR de medeondertekenende VBO’s in wezen meegedeeld dat een te Brussel gevestigde gerechtsdeurwaarder (hierna: „gerechtsdeurwaarder”) ermee had ingestemd de verificatieprocedure uit te voeren en dat de eerste referentiedatum was vastgesteld op 31 mei 2022.
14 In september 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder in het kader van de in punt 13 hierboven genoemde verificatieprocedure (hierna: „eerste verificatieprocedure”) de door de medeondertekenende VBO’s verstrekte informatie onderzocht teneinde te beoordelen of deze VBO’s de erkennings- en representativiteitsdrempels behaalden.
15 Op 20 oktober 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder een proces-verbaal opgemaakt waaruit blijkt dat verzoekster op 31 mei 2022 de erkenningsdrempel en bijgevolg de representativiteitsdrempel niet had behaald (hierna: „eerste proces-verbaal”).
16 Bij nota van 24 november 2022 (hierna: „nota van 24 november 2022”) heeft de secretaris-generaal van de Raad met name akte genomen van het feit dat verzoekster niet voldeed aan de criteria van artikel 2, lid 2, onder f), en artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst, en haar verzocht binnen een termijn van drie maanden aan die criteria te voldoen, overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van de Overeenkomst.
17 Op 30 november 2022 heeft het SGR op zijn intranet aangekondigd dat verzoekster, in tegenstelling tot de twee andere medeondertekenende VBO’s, niet langer de in de Overeenkomst vastgestelde erkennings- en representativiteitsdrempels behaalde en dat zij over een termijn van drie maanden beschikte om deze situatie te verhelpen.
18 Op 16 januari 2023 heeft het SGR verzoekster een nieuwe ontwerpopdrachtbrief toegezonden, bestemd voor de gerechtsdeurwaarder, met het oog op een nieuwe verificatie van haar situatie in het licht van de erkennings- en representativiteitsdrempels (hierna: „tweede verificatieprocedure”).
19 Op 19 januari 2023 hebben het SGR en verzoekster een vergadering bijgewoond tijdens welke, enerzijds, verzoekster heeft verzocht dat de gerechtsdeurwaarder in het kader van de tweede verificatieprocedure de lijst van haar leden zou opstellen op basis van een referentiedatum na 17 april 2023 (hierna: „tweede referentiedatum”) en, anderzijds, het SGR heeft aangegeven dat, volgens zijn uitlegging van de Overeenkomst, deze tweede referentiedatum moest worden vastgesteld op 28 februari 2023, op grond dat die datum overeenkwam met het einde van de termijn van drie maanden die was ingegaan met de nota van 24 november 2022.
20 In maart 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder in het kader van de tweede verificatieprocedure de door verzoekster verstrekte informatie onderzocht.
21 Op 28 maart 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder verzoekster een tweede proces-verbaal toegezonden, gedateerd 27 maart 2023, waaruit bleek dat verzoekster, gelet op de officiële lijsten van ambtenaren en andere personeelsleden en voormalig ambtenaren en andere personeelsleden, die respectievelijk op 28 februari en 1 maart 2023 waren vastgesteld, voldeed aan de in de Overeenkomst gestelde erkenningsvoorwaarden, daaronder begrepen het criterium van artikel 2, lid 2, onder f), van de Overeenkomst, maar dat zij de in artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst vastgestelde representativiteitsdrempel niet behaalde (hierna: „tweede proces-verbaal”).
22 Bij het bestreden besluit heeft het SGR verzoekster in kennis gesteld van de schorsing van de rechten die zij als representatieve VBO genoot uit hoofde van artikel 14 van de Overeenkomst. Voorts heeft het SGR haar ervan in kennis gesteld dat zij als erkende VBO de in artikel 13 van de Overeenkomst bedoelde middelen kon blijven gebruiken.
II. Conclusies van partijen
23 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Raad te veroordelen tot betaling van één symbolische euro ter vergoeding van de door haar geleden immateriële schade; – de Raad te verwijzen in de kosten.
24 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
A. Vordering tot nietigverklaring
25 Tot staving van haar vordering tot nietigverklaring voert verzoekster in wezen drie middelen aan: i) schending van artikel 5 van de Overeenkomst en onregelmatigheden bij de eerste verificatieprocedure, ii) schending van de geest van loyale samenwerking die uit die Overeenkomst voortvloeit, van het beginsel van behoorlijk bestuur, van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten, en iii) schending van het grondrecht op vrijheid van vakvereniging.
26 Bovendien heeft verzoekster in antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang in wezen een vierde middel aangevoerd, ontleend aan ontoereikende motivering van het bestreden besluit.
27 Aangezien het vaste rechtspraak is dat het ontbreken van of een ontoereikende motivering schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU oplevert en een middel van openbare orde vormt dat in voorkomend geval door de Unierechter ambtshalve moet worden onderzocht (zie arrest van 12 juli 2023, Eurecna/Commissie, T‑377/21, EU:T:2023:398, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak), acht het Gerecht het, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, passend om zich uit te spreken over het vierde middel, alvorens successievelijk de drie andere door verzoekster aangevoerde middelen te onderzoeken.
1. Vierde middel: ontoereikende motivering van het bestreden besluit
28 Verzoekster betoogt in wezen dat de geldigheid van het bestreden besluit afhangt van de vraag of de representativiteitsdrempel al dan niet is behaald, zodat in het tweede proces-verbaal duidelijk had moeten worden vermeld hoeveel leden de gerechtsdeurwaarder precies in aanmerking had genomen om tot de slotsom te komen dat zij deze drempel niet had behaald. Aldus heeft zij geen kennis kunnen nemen van de redenen waarom zij die drempel niet heeft behaald en bijgevolg evenmin van de wezenlijke rechtvaardiging van het bestreden besluit, welke elementen haar in staat hadden kunnen stellen haar rechten te verdedigen. Deze gang van zaken is in strijd met de motiveringsplicht die op de handelingen van de Unie-instellingen rust.
29 De Raad betwist verzoeksters stellingen.
30 In dit verband moet volgens vaste rechtspraak de door artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) vereiste motivering van handelingen van de Unie-instellingen aangepast zijn aan de aard van de handeling in kwestie en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van bovengenoemde bepalingen voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Groningen Seaports e.a./Commissie, T‑160/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:317, punt 78).
31 Bovendien kan zelfs wanneer het betrokken besluit bepaalde sporen van een motivering bevat, toch sprake zijn van een ontbrekende motivering. Een tegenstrijdige of onbegrijpelijke motivering wordt dan ook gelijkgesteld met het ontbreken van een motivering. Hetzelfde geldt wanneer de motivering in het betrokken besluit dermate onvolledig is dat zij de adressaat, in de context van de vaststelling ervan, op geen enkele wijze in staat stelt om de redenering van de opsteller ervan te begrijpen (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 In casu wordt ten eerste in het bestreden besluit gepreciseerd dat de gerechtsdeurwaarder die was aangewezen om de tweede verificatieprocedure uit te voeren, zijn verslag op 28 maart 2023 had uitgebracht en dat verzoekster volgens dat verslag voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een erkende VBO, maar niet als een representatieve VBO.
33 Ten tweede blijkt uit de gegevens in het tweede proces-verbaal, waarnaar het bestreden besluit uitdrukkelijk verwijst, dat verzoekster, met name gelet op een op 28 februari 2023 vastgestelde officiële lijst van ambtenaren en andere personeelsleden van het SGR en op een andere, op 1 maart 2023 vastgestelde officiële lijst van voormalige ambtenaren en andere personeelsleden van het SGR, de in artikel 2, lid 2, onder f), van de Overeenkomst vastgestelde erkenningsdrempel van ten minste 60 leden behaalde, maar dat zij niet de in artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst vastgestelde representativiteitsdrempel behaalde van ten minste 300 actief en passief kiesgerechtigde leden bij de verkiezingen van het personeelscomité, en dat het vastgestelde verschil niet minder dan 20 leden bedroeg.
34 Aldus moet worden geconstateerd dat het bestreden besluit, dat is vastgesteld krachtens de Overeenkomst die verzoekster heeft medeondertekend, is vastgesteld nadat de gerechtsdeurwaarder verzoekster op 28 maart 2023 het tweede proces-verbaal had toegezonden, in een context die zij kende.
35 Bovendien zijn in het bestreden besluit, onder verwijzing naar met name de Overeenkomst en het tweede proces-verbaal, zowel de juridische als de feitelijke elementen uiteengezet die in het bestek van dat besluit van wezenlijk belang waren en die zowel verzoekster als het Gerecht in staat stelden de rechtmatigheid ervan te beoordelen.
36 Het is juist dat noch het bestreden besluit noch het tweede proces-verbaal, overeenkomstig artikel 5, lid 1, tweede alinea, van de Overeenkomst, het precieze aantal leden vermeldt dat de gerechtsdeurwaarder in aanmerking heeft genomen om tot de bevinding te komen dat verzoekster de representativiteitsdrempel niet behaalde.
37 Uit het bestreden besluit en het tweede proces-verbaal, in onderlinge samenhang gelezen, blijkt evenwel dat het door de gerechtsdeurwaarder berekende aantal leden van verzoekster gelijk was aan of hoger was dan de erkenningsdrempel en lager was dan de representativiteitsdrempel, en dat het vastgestelde verschil niet minder dan 20 leden bedroeg, te weten een aantal leden tussen 60 en 280.
38 De motivering van het bestreden besluit is dus niet tegenstrijdig of onbegrijpelijk en doet de redenering van de auteur ervan duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen.
39 Bijgevolg is het vierde middel, ontleend aan een ontoereikende motivering, ongegrond zodat het moet worden afgewezen.
2. Eerste middel: schending van artikel 5 van de Overeenkomst en onregelmatigheden bij de eerste verificatieprocedure
40 Het eerste middel bestaat in wezen uit twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan schending van artikel 5 van de Overeenkomst tijdens de eerste verificatieprocedure, en het tweede aan onregelmatigheden in het eerste proces-verbaal.
41 De Raad betwist verzoeksters stellingen.
42 Vooraf moet worden vastgesteld dat verzoekster met haar betoog ter ondersteuning van het onderhavige middel incidenteel kritiek levert op de regelmatigheid van de eerste verificatieprocedure die de Raad ertoe heeft gebracht de nota van 24 november 2022 vast te stellen, alsmede op de gegrondheid van die nota.
43 Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak zuiver voorbereidende maatregelen als zodanig weliswaar niet vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring, maar de eventuele gebreken ervan kunnen worden aangevoerd tot staving van het beroep tegen de definitieve handeling ter voorbereiding waarvan zij zijn genomen (zie arrest van 22 april 2021, thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie, C‑572/18 P, EU:C:2021:317, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 In casu moet worden vastgesteld dat de nota van 24 november 2022 voortvloeit uit de toepassing van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de Overeenkomst, dat stipuleert dat elke VBO die representatief was en niet langer de representativiteitsdrempel behaalt, door de secretaris-generaal van de Raad wordt verzocht binnen een termijn van ten hoogste drie maanden aan het criterium van artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst te voldoen, bij gebreke waarvan haar rechten als representatieve VBO worden geschorst.
45 Zo kwam de nota van 24 november 2022, die niet het definitieve standpunt van de Raad tot uitdrukking bracht over de vraag of verzoekster op grond van de Overeenkomst nog steeds representatief was, volgens artikel 6 van de Overeenkomst overeen met een inleidende fase van de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het bestreden besluit, waarin dit definitieve standpunt tot uitdrukking komt.
46 Aangezien de nota van 24 november 2022 een louter voorbereidende maatregel is, kan verzoekster dus overeenkomstig de in punt 43 hierboven aangehaalde rechtspraak incidenteel kritiek uiten op de eerste verificatieprocedure die tot de vaststelling van die nota heeft geleid en op de gegrondheid ervan.
a) Eerste onderdeel: schending van artikel 5 van de Overeenkomst bij de eerste verificatieprocedure
47 Tot staving van dit onderdeel voert verzoekster twee grieven aan: ten eerste, schending van artikel 5, lid 1, van de Overeenkomst en, ten tweede, schending van artikel 5, lid 3, ervan.
1) Eerste grief: schending van artikel 5, lid 1, van de Overeenkomst
48 Verzoekster betoogt dat de Raad de keuze voor het met de uitvoering van de eerste verificatieprocedure belaste onafhankelijke orgaan aan de VBO’s heeft opgelegd en dat de VBO’s de inhoud van de eerste opdrachtbrief niet hebben goedgekeurd.
49 Dienaangaande zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat artikel 5, lid 1, eerste alinea, van de Overeenkomst, dat betrekking heeft op de verificatie van bepaalde criteria voor de erkenning en de representativiteit van de VBO’s, bepaalt dat hun aantal leden door middel van een verklaring op erewoord van hun respectieve voorzitters wordt meegedeeld aan een onafhankelijk orgaan dat in onderlinge overeenstemming wordt gekozen.
50 In casu blijkt uit de in punt 11 hierboven genoemde nota dat het SGR de medeondertekenende VBO’s op 29 maart 2022 heeft verzocht om in onderlinge overeenstemming een onafhankelijk orgaan aan te wijzen en hun aldus heeft voorgesteld om de eerste verificatieprocedure te doen uitvoeren door dezelfde gerechtsdeurwaarder als die waarop in 2010 en 2014 een beroep was gedaan.
51 Voorts blijkt uit het verslag van de vergadering van 3 mei 2022 tussen de Raad en de medeondertekenende VBO’s, dat is opgenomen in een e-mail van dezelfde dag van een juridisch adviseur van de bevoegde eenheid van het directoraat-generaal Organisatieontwikkeling en Diensten aan het hoofd van zijn eenheid, dat alle medeondertekenende VBO’s hebben ingestemd met het voorstel van het SGR om de eerste verificatieprocedure te doen uitvoeren door dezelfde gerechtsdeurwaarder als die waarop bij de voorgaande verificatieprocedure een beroep was gedaan.
52 Ten slotte blijkt uit het dossier niet dat de medeondertekenende VBO’s bij het SGR protesten tegen de aanwijzing van de gerechtsdeurwaarder hebben ingediend die twijfel konden doen rijzen over de bewijskracht van de vermeldingen in het in punt 51 hierboven genoemde verslag van de vergadering van 3 mei 2022.
53 Verzoeksters stelling dat de Raad het onafhankelijke orgaan dat met de eerste verificatieprocedure was belast, alleen en niet in onderlinge overeenstemming met die VBO’s heeft gekozen, moet dus kennelijk ongegrond worden verklaard.
54 In de tweede plaats zij opgemerkt dat noch artikel 5, lid 1, van die Overeenkomst, noch andere bepalingen ervan voorzien in de verplichting voor de Raad om een opdrachtbrief te zenden aan het onafhankelijke orgaan dat belast is met de uitvoering van een verificatieprocedure, zodat geen enkele bepaling van de Overeenkomst de Raad verplichtte de instemming van de medeondertekenende VBO’s te verkrijgen met betrekking tot de inhoud van de eerste opdrachtbrief.
55 Derhalve is de eerste grief ongegrond en moet zij worden afgewezen.
2) Tweede grief: schending van artikel 5, lid 3, van de Overeenkomst
56 Verzoekster betoogt in wezen dat het bestreden besluit, gelet op het driejaarlijkse tijdschema voor de verificatie van de erkennings- en representativiteitsdrempels, te laat is vastgesteld.
57 Dienaangaande volgt uit artikel 5, lid 3, van de Overeenkomst, betreffende de verificatie van bepaalde criteria voor de erkenning en de representativiteit van de VBO’s, dat, onverminderd de buitengewone procedures voor de verificatie van de erkenningscriteria die op verzoek van een erkende VBO kunnen worden toegepast, de verificatieprocedures inzake de medeondertekenende VBO’s om de drie jaar moesten worden uitgevoerd. Bovendien bepaalde artikel 16, lid 5, van de Overeenkomst, betreffende de overgangs- en slotbepalingen, dat de eerste verificatie van de criteria voor erkenning en representativiteit als bedoeld in artikel 5 van deze Overeenkomst moest plaatsvinden binnen zes maanden na de ondertekening ervan, dat wil zeggen uiterlijk op 28 september 2006.
58 In casu blijkt uit het dossier niet alleen dat de verificatieprocedures die vanaf de ondertekening van de Overeenkomst zijn uitgevoerd, op 15 mei 2007, 24 juni 2010 en 14 januari 2014 waren afgerond, zodat zij, gelet op het driejaarlijkse tijdschema dat voortvloeit uit de in punt 57 hierboven vermelde bepalingen, te laat zijn afgerond, maar ook dat er tussen de verificatieprocedure van 14 januari 2014 en de onderhavige „eerste verificatieprocedure” geen enkele verificatieprocedure heeft plaatsgevonden.
59 Voorts blijkt uit de toelichtingen van de Raad dat de eerste verificatieprocedure is vertraagd door de in 2017 en 2018 gevoerde onderhandelingen over de herziening van de Overeenkomst, die er met name toe strekten de wijze van meting van de representativiteit van de medeondertekenende VBO’s te vereenvoudigen, en vervolgens door de COVID-19-pandemie.
60 Hoewel verzoekster de inhoud van deze toelichtingen niet betwist, is zij niettemin van mening dat zij niet rechtvaardigen dat tussen het einde van de onderhandelingen over de herziening van de Overeenkomst en het begin van de COVID-19-pandemie geen enkele verificatie is verricht.
61 Ofschoon de Overeenkomst niet voorziet in enige afwijking van het uit artikel 5, lid 3, en artikel 16, lid 5, voortvloeiende driejaarlijkse tijdschema, moet om te beginnen worden opgemerkt dat dit tijdschema tot doel heeft te waarborgen dat regelmatig wordt nagegaan of is voldaan aan de in de Overeenkomst gestelde voorwaarden voor de erkenning en de representativiteit van de VBO’s van de Raad, teneinde het bestaan van gestructureerde betrekkingen tussen die VBO’s en deze instelling te verzekeren, zonder dat het verstrijken van de uit dit tijdschema voortvloeiende termijn automatisch leidt tot het verlies van de rechten die erkende en representatieve VBO’s genieten.
62 Bovendien moet worden vastgesteld dat de ondertekenaars van de Overeenkomst niet hebben voorzien in een bepaling die de niet-inachtneming van het uit artikel 5, lid 3, en artikel 16, lid 5, van de Overeenkomst voortvloeiende driejaarlijkse tijdschema kan voorkomen en bestraffen. Door voor de uitvoering van de verificatieprocedures dit tijdschema vast te stellen, heeft de Raad dus, met instemming van de medeondertekenende VBO’s, niet dat tijdschema willen opleggen op straffe van nietigheid van die procedures en evenmin een dwingend karakter aan die bepalingen willen verlenen, maar heeft hij een doelstelling willen bepalen om met regelmatige tussenpozen na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de erkenning en de representativiteit van de VBO’s van de Raad.
63 De niet-inachtneming van het in de Overeenkomst vastgestelde tijdschema kan dus niet worden beschouwd als schending van een wezenlijk vormvoorschrift, maar moet als een procedurele onregelmatigheid worden beschouwd.
64 Dienaangaande zij erop gewezen dat, volgens vaste rechtspraak, een procedurefout slechts leidt tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. In dat kader mag van een verzoekende partij die zich op een procedurefout beroept, niet worden verlangd dat zij aantoont dat het besluit van de betrokken Unie-instelling anders zou hebben geluid, maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten, waarbij de beoordeling van deze vraag bovendien moet worden verricht aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het concrete geval (zie arrest van 6 oktober 2021, AV en AW/Parlement, T‑43/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:666, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Vastgesteld moet worden dat verzoekster in casu geen begin van bewijs levert dat zij over een voldoende aantal leden zou hebben beschikt om als representatief te worden beschouwd op de datums waarop de representativiteitsmetingen hadden moeten worden verricht indien het in de Overeenkomst bepaalde driejaarlijkse tijdschema in acht was genomen. Bijgevolg toont verzoekster niet aan dat niet volledig was uitgesloten dat het bestreden besluit zonder de gestelde onregelmatigheid een andere inhoud zou kunnen hebben gehad.
66 Zoals de Raad betoogt, heeft het ontbreken van een verificatieprocedure overigens geen negatieve gevolgen gehad voor de situatie van verzoekster, die gedurende de negen jaar tussen de verificatieprocedure van 14 januari 2014 en de aan het onderhavige geding ten grondslag liggende verificatieprocedures ononderbroken gebruik heeft kunnen maken van de aan de representatieve VBO’s ter beschikking gestelde middelen.
67 Bijgevolg moet de onderhavige grief worden afgewezen.
b) Tweede onderdeel: onregelmatigheden in het eerste proces-verbaal
68 Ter ondersteuning van dit onderdeel voert verzoekster in wezen vier grieven aan, ontleend aan, ten eerste, een onjuiste vermelding in het eerste proces-verbaal, ten tweede, niet-inachtneming door de gerechtsdeurwaarder van het in de eerste opdrachtbrief vastgestelde tijdschema, ten derde, een fout met betrekking tot de eerste referentiedatum en, ten vierde, onjuistheid van het eerste proces-verbaal.
1) Eerste grief: onjuiste vermelding in het eerste proces-verbaal
69 Verzoekster betoogt dat het eerste proces-verbaal een feitelijke onjuistheid bevat, aangezien daarin wordt vermeld dat de eerste opdrachtbrief in onderlinge overeenstemming tussen de Raad en de medeondertekenende VBO’s is opgesteld.
70 In dit verband zij eraan herinnerd dat geen enkele bepaling van de Verdragen de Unierechter verplicht om in ieder geval de gegrondheid te onderzoeken van de middelen of argumenten die zijn aangevoerd ter ondersteuning van de bij hem aanhangige vorderingen. Integendeel, de Unierechter kan met name om redenen die verband houden met een doeltreffende rechtsbedeling afzien van het onderzoek van de gegrondheid van middelen of argumenten die niet-ontvankelijk of niet ter zake dienend moeten worden verklaard (zie in die zin en naar analogie arrest van 29 september 2022, HIM/Commissie, C‑500/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:741, punten 72 en 73).
71 In casu heeft het eerste proces-verbaal weliswaar in de inleidende vermeldingen ervan betrekking op „de opdrachtbrief van de Raad, in overleg met de [VBO’s], met het oog op de verificatie van het aantal leden binnen de ‚organisaties’ in de zin van de Overeenkomst”, maar uit punt 54 hierboven blijkt dat geen enkele bepaling van de Overeenkomst de Raad verplichtte om de instemming van de VBO’s te verkrijgen voor de eerste opdrachtbrief die aan de gerechtsdeurwaarder werd gezonden.
72 Bijgevolg heeft de in punt 71 hierboven aangehaalde vermelding in het eerste proces-verbaal, gesteld al dat zij onjuist is, geen invloed op de inhoud of de geldigheid van dat proces-verbaal, en bijgevolg evenmin op de rechtmatigheid van de nota van 24 november 2022 en van het bestreden besluit. Daaraan moet worden toegevoegd dat verzoekster niets aanvoert waaruit blijkt dat die vermelding van invloed is geweest op de eerste verificatieprocedure of het eerste proces-verbaal.
73 Derhalve is deze grief niet ter zake dienend.
2) Tweede grief: niet-inachtneming door de gerechtsdeurwaarder van het in de eerste opdrachtbrief vastgestelde tijdschema
74 Verzoekster betoogt dat de eerste verificatieprocedure in september 2022 in gang is gezet, terwijl zij volgens de bij de eerste opdrachtbrief aan de gerechtsdeurwaarder gegeven opdracht uiterlijk op 31 juli 2022 had moeten zijn afgerond.
75 In dit verband is het juist dat de gerechtsdeurwaarder volgens de bewoordingen van de eerste opdrachtbrief de eerste verificatieprocedure uiterlijk op 31 juli 2022 diende af te ronden en dat uit het eerste proces-verbaal blijkt dat deze procedure is uitgevoerd op 1, 6, 9 en 29 september 2022 en dat genoemd proces-verbaal is opgesteld op 20 oktober 2022.
76 In de eerste plaats blijkt noch uit de eerste opdrachtbrief, noch uit de bepalingen van de Overeenkomst, dat de niet-inachtneming van de uiterste datum van 31 juli 2022 enige invloed zou hebben op de regelmatigheid van de eerste verificatieprocedure of op de geldigheid van het eerste proces-verbaal.
77 In de tweede plaats blijkt uit het eerste proces-verbaal dat de gerechtsdeurwaarder in het kader van de eerste verificatieprocedure het aantal leden van elke VBO heeft berekend, rekening houdend met de eerste referentiedatum van 31 mei 2022, overeenkomstig de eerste opdrachtbrief.
78 Aangezien de gerechtsdeurwaarder bij de berekening van het aantal leden van de medeondertekenende VBO’s een eventuele ontwikkeling van dit aantal na de eerste referentiedatum van 31 mei 2022 niet mocht meetellen en hij zijn bevindingen op die datum moest vaststellen, blijkt uit het dossier dus niet dat de niet-inachtneming van de datum van 31 juli 2022 voor de definitieve opstelling van zijn proces-verbaal op enigerlei wijze gevolgen heeft gehad voor de regelmatigheid van de eerste verificatieprocedure of de geldigheid van het eerste proces-verbaal, en bijgevolg evenmin voor de rechtmatigheid van de nota van 24 november 2022 en van het bestreden besluit.
79 Derhalve is deze grief niet ter zake dienend.
3) Derde grief: fout met betrekking tot de eerste referentiedatum
80 Verzoekster betoogt dat de gerechtsdeurwaarder, overeenkomstig de eerste opdrachtbrief, bij de uitvoering van de eerste verificatieprocedure niet 31 mei 2022, maar 31 augustus 2022 als eerste referentiedatum had moeten kiezen, aangezien dit de laatste dag was van de maand voorafgaand aan de voltooiing van de eerste verificatieprocedure.
81 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat de vaststelling van de referentiedata voor de verificatie van de voorwaarden voor erkenning en representativiteit van de VBO’s niet door de Overeenkomst wordt geregeld, en dat de eerste opdrachtbrief de gerechtsdeurwaarder de verplichting oplegde om voor de eerste verificatieprocedure contact op te nemen met het directoraat-generaal Organisatieontwikkeling en Diensten om op 31 mei 2022 over een officiële lijst van ambtenaren en andere personeelsleden en een officiële lijst van voormalige ambtenaren en andere personeelsleden te beschikken.
82 In de tweede plaats kan het Gerecht niet de door verzoekster voorgestane uitlegging aanvaarden volgens welke de eerste referentiedatum die in aanmerking moest worden genomen voor de berekening van het aantal leden van de medeondertekenende VBO’s, had moeten overeenkomen met de laatste dag van de maand voorafgaand aan de concrete verificatie door de gerechtsdeurwaarder, aangezien een dergelijke uitlegging de Raad ertoe zou hebben gebracht het rechtszekerheidsbeginsel en, in voorkomend geval, het beginsel van gelijke behandeling te schenden.
83 Het rechtszekerheidsbeginsel vereist immers dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en strekt ertoe te waarborgen dat door het Unierecht beheerste rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn (zie arrest van 9 maart 2023, Galeote en Watson/Parlement, C‑715/21 P en C‑716/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:190, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder volgt uit het rechtszekerheidsbeginsel dat de Uniewetgeving met zekerheid kenbaar dient te zijn en de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar moet zijn (zie in die zin arrest van 9 juli 2015, Cabinet Medical Veterinar Dr. Tomoiagă Andrei, C‑144/14, EU:C:2015:452, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Bovendien vormt het beginsel van gelijke behandeling, dat is vastgelegd in artikel 20 van het Handvest, een algemeen beginsel van het Unierecht dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 14 juli 2022, Commissie/VW e.a., C‑116/21 P–C‑118/21 P, C‑138/21 P en C‑139/21 P, EU:C:2022:557, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 Indien de in punt 82 hierboven vermelde uitlegging door de Raad zou zijn aanvaard, had dit voor de gerechtsdeurwaarder dus aanleiding kunnen zijn om voor elke medeondertekenende VBO verschillende referentiedata te hanteren, indien de gerechtsdeurwaarder om praktische redenen die verband houden met de beschikbaarheid van hun bestuurders of hun vertegenwoordigers, niet in staat zou zijn geweest de door hem te verrichten verificaties in dezelfde maand uit te voeren.
86 In die omstandigheden zou de toepassing van de in punt 82 hierboven vermelde uitlegging de Raad ertoe hebben gebracht het beginsel van gelijke behandeling en het rechtszekerheidsbeginsel te schenden, die hem verplichtten om een eerste referentiedatum vast te stellen die niet alleen voor alle medeondertekenende VBO’s dezelfde was, maar ook duidelijk en voorzienbaar was.
87 Derhalve moet de onderhavige grief ongegrond worden verklaard.
4) Vierde grief: onjuistheid van het eerste proces-verbaal
88 Verzoekster betoogt dat het eerste proces-verbaal onjuist is voor zover daarin is vastgesteld dat zij de erkenningsdrempel niet behaalde, terwijl zij op de eerste referentiedatum had aangetoond ten minste 221 leden te hebben.
89 In dit verband is het juist dat de Raad in de nota van 24 november 2022 de in het eerste proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder vastgestelde bevinding heeft overgenomen, namelijk dat uit de eerste verificatieprocedure bleek dat verzoekster de erkenningsdrempel niet langer behaalde.
90 Opgemerkt zij evenwel dat de Raad met het bestreden besluit is teruggekomen van de in punt 89 hierboven vermelde bevinding en integendeel aan verzoekster heeft meegedeeld dat zij de rechten zou behouden die zij als erkende VBO aan de Overeenkomst ontleende.
91 Bovendien betwist verzoekster niet dat haar rechten als erkende VBO haar tussen de datum van vaststelling van de nota van 24 november 2022 en die van het bestreden besluit niet waren ontnomen.
92 Bijgevolg heeft de eventuele onjuistheid in het eerste proces-verbaal geen invloed op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat de onderhavige grief als niet ter zake dienend moet worden afgewezen.
93 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het onderhavige middel, en dus het eerste middel in zijn geheel, worden afgewezen.
3. Tweede middel: schending van de geest van loyale samenwerking die uit de Overeenkomst voortvloeit, van het beginsel van behoorlijk bestuur, van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten
94 Tot staving van het tweede middel voert verzoekster in wezen drie onderdelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van het beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten, het tweede aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en, meer bepaald, van de zorgvuldigheidsplicht en de verplichting tot onpartijdigheid, en het derde aan schending van de „geest van loyale samenwerking”, tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel.
95 De Raad betwist verzoeksters stellingen.
a) Eerste onderdeel: schending van het beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten
96 Verzoekster betoogt dat, aangezien het gaat om een document waarover contractueel is onderhandeld, de uitvoering van de Overeenkomst te goeder trouw moet worden verricht, volgens het beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten of van „contractuele oprechtheid”, dat overeenkomt met een algemeen Unierechtelijk beginsel dat geïnspireerd is op de rechtstradities die de lidstaten gemeen hebben.
97 In het bijzonder verwijt verzoekster de Raad dat hij, door geen gevolg te geven aan haar verzoek om de eerste referentiedatum op te schuiven naar 31 juli 2022 en door de eerste verificatieprocedure in te leiden zonder rekening te houden met bepaalde discussie- of aandachtspunten betreffende de situatie van bepaalde categorieën ambtenaren die door de medeondertekenende VBO’s waren aangevoerd en nog hangende waren, een eenzijdige stap heeft gezet die eerder een gezagshandeling dan een overeengekomen handeling is.
98 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak maatregelen die het collectieve belang dat een VBO in het kader van haar betrekkingen met een instelling behartigt, rechtstreeks raken, het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring door die VBO op grond van artikel 263 VWEU, ook wanneer die maatregelen worden genomen ter uitvoering van een tussen de betrokken instelling en VBO’s gesloten overeenkomst (zie beschikking van 9 april 2014, Colart e.a./Parlement, F‑87/13, EU:F:2014:53, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin beschikking van 31 maart 2003, Hecq/Commissie, T‑227/02, EU:T:2003:89, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
99 Derhalve moet worden vastgesteld dat verzoekster overeenkomstig deze rechtspraak haar beroep heeft ingesteld op grond van artikel 263 VWEU, zonder dat deze rechtsgrondslag door de Raad is betwist.
100 Hieruit volgt dat de partijen in het onderhavige geding impliciet maar noodzakelijkerwijs hebben gemeend dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet valt onder de bevoegdheid van de voor overeenkomsten bevoegde rechter.
101 Voorts zij opgemerkt dat de Overeenkomst niet vereist dat de Raad en de medeondertekenende VBO’s onderhandelen over aspecten als de vaststelling van de referentiedatum en het besluit om de verificatieprocedure in te leiden.
102 Bijgevolg kan verzoekster de Raad niet met succes verwijten dat hij het beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten heeft geschonden op grond dat hij de eerste referentiedatum heeft vastgesteld op 31 mei 2022 en de eerste verificatieprocedure heeft ingeleid zonder rekening te houden met bepaalde door de medeondertekenende VBO’s opgeworpen kwesties.
103 Uit het voorgaande volgt dat het betoog inzake schending van het beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten niet ter zake dienend is.
b) Tweede onderdeel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en, meer bepaald, van de zorgvuldigheids- en onpartijdigheidsplicht
104 Ter ondersteuning van haar betoog inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, en meer bepaald van de zorgvuldigheidsplicht en de onpartijdigheidsplicht, voert verzoekster drie grieven aan, waarvan de eerste is ontleend aan onregelmatigheden bij de inleiding van de eerste verificatieprocedure, de tweede aan het feit dat de Raad geen rekening heeft gehouden met de moeilijkheden die verzoekster heeft ondervonden bij het verkrijgen van toegang tot de juiste informatie waarmee zij aan de vereisten van die procedure had kunnen voldoen, en de derde aan de bekendmaking door de Raad, op 30 november 2022, van de uitkomst van die procedure.
1) Eerste grief: onregelmatigheden bij de inleiding van de eerste verificatieprocedure
105 Ter ondersteuning van deze grief voert verzoekster drie argumenten aan: ten eerste, schending van de zorgvuldigheidsplicht doordat de Raad de eerste verificatieprocedure heeft ingeleid zonder rekening te houden met bepaalde discussie- of aandachtspunten met betrekking tot de situatie van bepaalde categorieën ambtenaren, ten tweede, schending van de zorgvuldigheidsplicht doordat de inleiding van de eerste verificatieprocedure en de vaststelling van de eerste referentiedatum niet in overleg met de medeondertekenende VBO’s hebben plaatsgevonden, en, ten derde, schending van de onpartijdigheidsplicht.
i) Eerste argument: schending van de zorgvuldigheidsplicht doordat de Raad de eerste verificatieprocedure heeft ingeleid zonder rekening te houden met bepaalde discussie- of aandachtspunten met betrekking tot de situatie van bepaalde categorieën ambtenaren
106 Verzoekster betoogt dat de Raad de zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen doordat hij de eerste verificatieprocedure heeft ingeleid zonder rekening te houden met bepaalde discussie- of aandachtspunten met betrekking tot de situatie van bepaalde categorieën ambtenaren die door de medeondertekenende VBO’s waren aangevoerd en die nog hangende waren, met name de situatie van ambtenaren die gedetacheerd waren, invalide waren en teruggekeerd waren van verlof om redenen van persoonlijke aard of van verlof om gezinsredenen.
107 In dit verband zij eraan herinnerd dat het in artikel 41 van het Handvest verankerde recht op behoorlijk bestuur met name de verplichting tot onpartijdigheid en de verplichting om binnen een redelijke termijn te handelen omvat, die worden beschermd door lid 1 van dat artikel, alsmede de in de rechtspraak ontwikkelde zorgvuldigheidsplicht, op grond waarvan de instellingen zorgvuldig en omzichtig moeten handelen door alle relevante gegevens van het geval te onderzoeken (zie arrest van 16 juni 2022, SGL Carbon e.a./Commissie, C‑65/21 P en C‑73/21 P–C‑75/21 P, EU:C:2022:470, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 Bovendien volgt uit de in punt 64 hierboven aangehaalde rechtspraak dat een procedurefout slechts tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben.
109 In casu is het bestreden besluit vastgesteld na twee opeenvolgende en onderscheiden verificatieprocedures, overeenkomstig artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de Overeenkomst. In het bijzonder komt het ledenaantal dat de Raad in aanmerking heeft genomen om tot de definitieve conclusie te komen dat verzoekster de representativiteitsdrempel niet had behaald, overeen met het aantal dat de gerechtsdeurwaarder op de tweede referentiedatum in het kader van de tweede verificatieprocedure heeft vastgesteld.
110 In casu wordt het eerste argument, dat incidenteel is gericht tegen de eerste verificatieprocedure, door verzoekster echter niet herhaald tegen de tweede verificatieprocedure.
111 Zo toont verzoekster niet aan, en stelt zij zelfs niet, dat de Raad heeft geweigerd dat de gerechtsdeurwaarder bij de berekening van haar leden op de tweede referentiedatum van 28 februari 2023 ambtenaren zou meetellen die gedetacheerd waren, invalide waren en teruggekeerd waren van verlof om redenen van persoonlijke aard of van verlof om gezinsredenen.
112 Voorts blijkt uit het dossier niet dat de eventuele weigering van de Raad om in het kader van de eerste verificatieprocedure rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde categorieën ambtenaren, van invloed is geweest op de berekening door de gerechtsdeurwaarder van haar ledenaantal in het kader van de tweede verificatieprocedure.
113 Derhalve is dit argument niet ter zake dienend.
ii) Tweede argument: schending van de zorgvuldigheidsplicht doordat de eerste verificatieprocedure niet in overleg met de medeondertekenende VBO’s is ingeleid
114 Verzoekster voert aan dat haar statuten haar op de datum van inleiding van de eerste verificatieprocedure niet toestonden om een algemene ledenvergadering per videoconferentie te organiseren, dat de eerste algemene ledenvergadering niet bijeen kon komen vóór de opheffing van de beperkingen in verband met de COVID-19-pandemie in mei 2022 en dat elk besluit van die algemene vergadering over het bedrag van de bijdragen pas drie maanden later kon ingaan, namelijk in juli 2022, gelet op de driemaandelijkse frequentie van de verzoeken om bijdragebetaling.
115 Verzoekster betoogt dan ook dat de Raad, door te weigeren om rekening te houden met deze moeilijkheden en om de eerste referentiedatum op te schuiven naar 31 juli 2022, zijn zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen door niet alle relevante elementen van het dossier zorgvuldig te onderzoeken.
116 Zonder dat behoeft te worden onderzocht of dit argument ter zake dienend is, blijkt in de eerste plaats niet dat de Raad, door de eerste referentiedatum op 31 mei 2022 vast te stellen, zijn zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen.
117 Ten eerste zij eraan herinnerd dat artikel 5 van de Overeenkomst de Raad immers niet verplichtte de instemming van de medeondertekenende VBO’s te verkrijgen met betrekking tot de datum van inleiding van de verificatieprocedure, noch met betrekking tot de referentiedatum die in aanmerking wordt genomen voor de verificatie van de erkennings- en representativiteitsdrempels.
118 Ten tweede verplichtte geen enkele bepaling van de Overeenkomst de Raad om de eerste referentiedatum vast te stellen op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de ondertekening van de eerste opdrachtbrief, zodat hij een na de verzending van deze brief vallende datum kon vaststellen, mits deze voor alle medeondertekenende VBO’s dezelfde was en lang genoeg van tevoren was vastgesteld. Een dergelijke oplossing zou echter de duur van de verificatieprocedure hebben doen toenemen en de bevindingen van de gerechtsdeurwaarder hebben vertraagd.
119 In een dergelijk geval zouden de medeondertekenende VBO’s immers meer tijd nodig hebben gehad om na de referentiedatum de gegevens waarover zij beschikten te analyseren en aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen in het kader van de in artikel 5, lid 1, van de Overeenkomst bedoelde verklaring op erewoord. Voorts zou de gerechtsdeurwaarder ook extra tijd nodig hebben gehad om deze gegevens en de door de Raad verstrekte gegevens te analyseren en te verifiëren.
120 Ten derde blijkt weliswaar uit de overeenstemmende verklaringen van partijen dat de medeondertekenende VBO’s kennis hebben gekregen van het voornemen van de Raad om de eerste referentiedatum vast te stellen op 31 mei 2022, toen het ontwerp van de eerste opdrachtbrief op 3 mei 2022 werd meegedeeld, maar uit punt 11 hierboven blijkt dat de medeondertekenende VBO’s reeds op 29 maart 2022 in kennis zijn gesteld van het voornemen van de Raad om de eerste onderzoeksprocedure in te leiden, zodat zij, om zich op deze procedure voor te bereiden, over een termijn van circa twee maanden beschikten, die in de omstandigheden van het onderhavige geval niet ontoereikend lijkt.
121 In de tweede plaats blijkt hoe dan ook niet uit het dossier dat de eventuele schending van de zorgvuldigheidsplicht als gevolg van de weigering van de Raad om de eerste referentiedatum op te schuiven naar 31 juli 2022, de rechtmatigheid van het bestreden besluit had kunnen beïnvloeden.
122 Het is juist dat verzoekster zich erover beklaagt dat de Raad tijdens de eerste verificatieprocedure geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij – wegens de beperkingen in verband met de COVID-19-pandemie – geen algemene ledenvergadering heeft kunnen houden, ter gelegenheid waarvan zij de bedragen van de door haar leden verschuldigde bijdragen had kunnen aanpassen.
123 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de gerechtsdeurwaarder in het kader van de eerste en de tweede verificatieprocedure moest nagaan of was voldaan aan de voorwaarde van artikel 2, lid 2, onder e), van de Overeenkomst, namelijk dat de leden van de medeondertekenende VBO’s, om in het kader van die procedures in aanmerking te worden genomen, een maandelijkse bijdrage ten belope van ten minste 0,2 % van hun basissalaris of -pensioen moeten betalen.
124 Aangezien de medeondertekenende VBO’s niet in real time op de hoogte zijn van de ontwikkeling van de bezoldiging van hun leden, die verband houdt met hun statutaire of persoonlijke situatie, is het mogelijk dat sommige van hun leden op de voor de uitvoering van de verificatieprocedure gekozen referentiedatum niet meegeteld kunnen worden bij de verificatie van de erkennings- of representativiteitsdrempel, omdat het niveau van hun maandelijkse bijdragen als gevolg van de ontwikkeling van hun bezoldiging lager is geworden dan het in punt 123 hierboven vermelde percentage.
125 Verzoekster voert echter geen enkel element aan waaruit blijkt dat zij op 31 juli 2022 of op de tweede referentiedatum in staat zou zijn geweest de representativiteitsdrempel te behalen, ook al heeft de tweede verificatieprocedure haar een extra termijn en een nieuwe gelegenheid geboden om de hoogte van de bijdragen van haar leden in het licht van de nieuwe referentiedatum, die was vastgesteld op 28 februari 2023, aan te passen en hun aantal te verhogen.
126 Bijgevolg heeft de Raad, door 31 mei 2022 als eerste referentiedatum vast te stellen, zijn zorgvuldigheidsplicht niet geschonden.
iii) Derde argument: schending van de onpartijdigheidsplicht
127 Verzoekster beklaagt zich over schending van de onpartijdigheidsplicht, zonder evenwel voldoende preciseringen te verstrekken aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of haar klacht gegrond is.
128 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat het in eerste aanleg ingediende verzoekschrift „de aangevoerde middelen en argumenten alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen” moet bevatten. Volgens vaste rechtspraak hoeft de Unierechter niet in te gaan op de door een partij aangevoerde argumenten die niet nauwkeurig en duidelijk genoeg zijn omdat zij niet nader zijn uitgewerkt of zijn onderbouwd door een specifieke argumentatie (zie arrest van 18 november 2021, Griekenland/Commissie, C‑107/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:937, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
129 Bijgevolg moet dit derde argument niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat de eerste grief van het onderhavige onderdeel in haar geheel moet worden afgewezen.
2) Tweede grief: de Raad heeft geen rekening gehouden met de moeilijkheden die verzoekster heeft ondervonden bij het verkrijgen van toegang tot de juiste informatie waarmee zij had kunnen voldoen aan de vereisten van de eerste en de tweede verificatieprocedure
130 Verzoekster betoogt dat de Raad geen rekening heeft gehouden met de moeilijkheden die zij heeft ondervonden bij het verkrijgen van de juiste informatie waarmee zij had kunnen voldoen aan de vereisten van de eerste en de tweede verificatieprocedure, te weten de bezoldigingsniveaus van de ambtenaren, personeelsleden en gepensioneerden, die met hun rangen verbonden zijn.
131 Verzoekster is dan ook van mening dat de Raad haar tijdens de eerste en de tweede verificatieprocedure, in voorkomend geval in geanonimiseerde vorm, informatie had moeten verstrekken over de rangen van de ambtenaren, personeelsleden en gepensioneerden, zodat zij het bijdragecijfer ten opzichte van het basissalaris kon verifiëren.
132 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 5, lid 2, derde streepje, van de Overeenkomst de medeondertekenende VBO’s met het oog op de verificatieprocedures verplichtte om de lijsten van hun bij het SGR werkzame leden aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, met vermelding van hun nationaliteit, de functie die zij uitoefenen en de functiegroep waartoe zij behoren, alsmede een lijst van voormalige ambtenaren en andere personeelsleden van het SGR die een communautair pensioen genieten.
133 Bovendien verplichtten de eerste en de tweede opdrachtbrief de gerechtsdeurwaarder om met het oog op de eerste en de tweede verificatieprocedure contact op te nemen met het directoraat-generaal Organisatieontwikkeling en Diensten teneinde de officiële lijsten van ambtenaren en andere personeelsleden en de officiële lijsten van voormalige ambtenaren en andere personeelsleden te verkrijgen die respectievelijk op de eerste referentiedatum van 31 mei 2022 en de tweede referentiedatum van 28 februari 2023 door de Raad waren opgesteld (hierna: „officiële lijsten van de Raad”).
134 In het bijzonder bevatten de officiële lijsten van de Raad de gegevens betreffende de rangen en de bezoldigingen van de personeelsleden en voormalige personeelsleden van het SGR, teneinde de gerechtsdeurwaarder in staat te stellen na te gaan of was voldaan aan de voorwaarde van artikel 2, lid 2, onder e), van de Overeenkomst, die luidt dat de leden van de medeondertekenende VBO’s om in het kader van de verificatieprocedures te worden meegeteld maandelijks ten minste 0,2 % van hun basissalaris of -pensioen moeten bijdragen.
135 Ten eerste zij opgemerkt dat geen enkele bepaling van de Overeenkomst voorziet in de mededeling aan de medeondertekenende VBO’s van de gegevens op de officiële lijsten van de Raad.
136 Ten tweede blijkt uit het dossier niet dat verzoekster de Raad heeft verzocht om haar met het oog op de eerste en de tweede verificatieprocedure de door hem opgestelde officiële lijsten toe te zenden.
137 Ten derde had de Raad geen gevolg kunnen geven aan een verzoek van verzoekster om mededeling van de door hem opgestelde officiële lijsten, zonder het vertrouwelijkheidsbeding van artikel 5, lid 1, van de Overeenkomst te schenden.
138 Dit beding, dat de gerechtsdeurwaarder verbood de in het kader van de verificatieprocedures verkregen informatie openbaar te maken, maakt het immers mogelijk niet alleen de geheimhouding te waarborgen van het lidmaatschap van een vakvereniging van de ambtenaren en andere personeelsleden van het SGR en van zijn voormalige ambtenaren en andere personeelsleden, maar ook de vertrouwelijkheid van hun bezoldiging, overeenkomstig de bepalingen van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39).
139 Ten vierde stelt verzoekster weliswaar dat de officiële lijsten van de Raad haar in geanonimiseerde vorm hadden kunnen worden meegedeeld, maar het is niet zeker dat verzoekster in een dergelijk geval niet in staat zou zijn geweest om de leden en voormalige personeelsleden van het SGR die op die lijsten voorkomen, of althans sommigen van hen, te identificeren aan de hand van de gegevens betreffende hun rangen en hun bezoldigingen.
140 Bijgevolg dient de onderhavige grief ongegrond te worden verklaard.
3) Derde grief: bekendmaking door de Raad, op 30 november 2022, van de uitkomst van de eerste verificatieprocedure
141 Verzoekster verwijt de Raad het beginsel van behoorlijk bestuur te hebben geschonden door op 30 november 2022, overhaast en zonder overleg met haar of met de twee andere betrokken VBO’s, op zijn intranet de uitkomst van de eerste verificatieprocedure te hebben bekendgemaakt, zodat zij niet de gelegenheid heeft gehad opmerkingen in te dienen of deze procedure eventueel te betwisten.
142 Voorts is verzoekster van mening dat deze bekendmaking een andere medeondertekenende VBO heeft aangemoedigd om tegen haar een lastercampagne te voeren door op 23 januari 2023 het eerste proces-verbaal openbaar te maken, waardoor het voor haar nog moeilijker is geworden om haar leden opnieuw te mobiliseren teneinde haar situatie te regulariseren.
143 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de Raad op 30 november 2022 op zijn intranet een kort artikel heeft verspreid betreffende de Overeenkomst, de voorwaarden voor erkenning en representativiteit van de medeondertekenende VBO’s alsmede de verificatieprocedure. Zo werd daarin aangegeven dat de gerechtsdeurwaarder onlangs zijn verslag had ingediend en had vastgesteld dat twee met naam genoemde medeondertekenende VBO’s, anders dan verzoekster, de erkennings- en representativiteitsdrempels hadden behaald. Dat artikel vermeldde eveneens dat verzoekster, conform de Overeenkomst, over drie maanden beschikte om deze drempels te behalen en de in de Overeenkomst vastgelegde rechten te blijven genieten.
144 In de eerste plaats voert verzoekster weliswaar aan dat deze informatie is bekendgemaakt zonder voorafgaand overleg met de betrokken VBO’s of zonder haar daarover te informeren, maar zij toont niet aan of stelt zelfs niet dat de Raad verplicht was om voorafgaand overleg met haar te plegen en haar informatie te verstrekken. Hoe dan ook geeft zij niet aan in welk opzicht een dergelijke omstandigheid schending van het beginsel van behoorlijk bestuur zou opleveren.
145 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat verzoekster weliswaar stelt dat de publicatie die de Raad op zijn intranet op 30 november 2022 heeft verspreid, een andere medeondertekenende VBO heeft aangemoedigd om tegen haar een lastercampagne te voeren door op 23 januari 2023 de inhoud van het eerste proces-verbaal openbaar te maken, waardoor het voor haar moeilijker zou zijn geweest om haar leden opnieuw te mobiliseren met het oog op de tweede verificatieprocedure, maar dat zij niets aanvoert waaruit blijkt dat deze bewering juist is, aangezien het door haar overgelegde prospectus van 23 januari 2023 niet aantoont dat een lastercampagne tegen haar werd gevoerd.
146 Bijgevolg moet de onderhavige grief ongegrond worden verklaard, alsmede het tweede onderdeel in zijn geheel.
c) Derde onderdeel: schending van de „geest van loyale samenwerking” tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel
147 Verzoekster betoogt dat de Raad voorbij is gegaan aan de „geest van loyale samenwerking”, tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel, omdat hij haar de in punt 4 van de bijlage vastgestelde overgangsperiode van 18 maanden had moeten toekennen om haar in staat te stellen de overgang te beheren tussen de situatie die voortvloeit uit haar status van erkende en representatieve VBO en die welke voortvloeit uit haar nieuwe status van enkel erkende VBO.
148 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU bepaalt dat de Unie en de lidstaten elkaar krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.
149 Deze bepaling legt de Raad dus geen verplichting op tot loyale samenwerking in zijn betrekkingen met een rechtspersoon zoals verzoekster.
150 Bovendien heeft verzoekster geen andere Unierechtelijke bepaling aangevoerd die een instelling in haar betrekkingen met de VBO’s een verplichting tot „loyale samenwerking” oplegt.
151 In het bijzonder moet worden vastgesteld dat de Overeenkomst niet voorziet in een verplichting tot loyale samenwerking die op de Raad en de medeondertekenende VBO’s zou rusten.
152 Bijgevolg kan verzoekster zich niet met succes beroepen op het beginsel van loyale samenwerking en moet het onderhavige onderdeel, voor zover het is gebaseerd op schending van dit beginsel, als niet ter zake dienend worden afgewezen.
153 In de tweede plaats zij er wat betreft het evenredigheidsbeginsel aan herinnerd dat artikel 52, lid 1, van het Handvest bepaalt dat „[b]eperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden […] bij wet [moeten] worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden [moeten] eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Bovendien gaan overeenkomstig artikel 5, lid 4, VEU krachtens het evenredigheidsbeginsel de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken.
154 Dienaangaande zij opgemerkt dat punt 4 van de bijlage bepaalt dat in geval van wijziging van de verdeling van de terbeschikkingstellingen tussen de representatieve VBO’s, de ter beschikking gestelde functionarissen gedurende een overgangsperiode van 18 maanden op hun post kunnen blijven.
155 Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dus dat zij uitsluitend van toepassing is op representatieve VBO’s, een hoedanigheid waarop verzoekster wegens de vaststelling van het bestreden besluit geen aanspraak meer kan maken.
156 Bijgevolg had de Raad verzoekster de in punt 4 van de bijlage bedoelde overgangsperiode van 18 maanden niet kunnen toekennen zonder daarmee inbreuk te maken op die bepaling en aldus voorbij te gaan aan het wettelijke kader dat hij voor zichzelf heeft vastgesteld en aan het rechtszekerheidsbeginsel.
157 In die omstandigheden kan verzoekster niet op goede gronden stellen dat de weigering van de Raad om haar de in punt 4 van de bijlage bedoelde overgangsperiode toe te kennen, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
158 Derhalve moet het onderhavige onderdeel en dus het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
4. Derde middel: schending van het grondrecht op vakverenigingsvrijheid
159 Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de vrijheid van vakvereniging die wordt gewaarborgd door artikel 12, lid 1, van het Handvest en de artikelen 27 en 28 ervan, en door artikel 11 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij is namelijk van mening dat het bestreden besluit een belemmering vormt voor de uitoefening van de vrijheid van vakvereniging van haar leden, aangezien het tot onmiddellijk gevolg heeft dat de detachering van haar voorzitter en de terbeschikkingstelling van een secretariaatsmedewerker worden beëindigd en haar enkel en alleen een e‑mailadres als gereedschap wordt gelaten.
160 Verzoekster voert tevens aan dat, aangezien haar voorzitter voortaan een voltijdse functie binnen het SGR moet gaan bekleden, zij in mindere mate beschikbaar zal zijn dan voorheen om haar vakbondsfuncties ten dienste van verzoeksters leden uit te oefenen, zodat de huidige of potentiële leden verzoekster de rug zullen toekeren en zij veroordeeld is een „langzame dood te sterven”.
161 De Raad betwist verzoeksters stellingen.
162 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, hoewel de door het EVRM gewaarborgde grondrechten – zoals artikel 6, lid 3, VEU bevestigt – als algemene beginselen deel uitmaken van het Unierecht en hoewel artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door dit verdrag aan worden toegekend, het EVRM geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is zolang de Unie er geen partij bij is (arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, C‑702/19 P, EU:C:2020:857, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
163 Daarentegen blijkt uit de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) dat het door artikel 12, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht correspondeert met het door artikel 11 EVRM gewaarborgde recht en dat het overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als het Handvest (arrest van 19 oktober 2023, Aquino/Parlement, C‑534/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:802, punt 30).
164 Bijgevolg moet het onderhavige middel worden onderzocht in het licht van artikel 12, lid 1, van het Handvest.
165 Zo zij erop gewezen dat, volgens artikel 12, lid 1, van het Handvest „[e]enieder […] op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, het recht [heeft] op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, hetgeen mede omvat eenieders recht, ter bescherming van zijn belangen samen met anderen vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten”.
166 Bovendien bepalen de artikelen 27 en 28 van het Handvest dat „[w]erknemers en hun vertegenwoordigers […] in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien, de zekerheid [moeten] hebben, dat zij op passende niveaus tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd”, en dat „[w]erkgevers en werknemers of hun respectieve organisaties […] overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken het recht [hebben] op passende niveaus collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, alsmede, in geval van belangenconflicten, collectieve actie te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking”.
167 Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens artikel 24 ter van het Statuut „[d]e ambtenaren […] het recht van vereniging [hebben]; zij kunnen met name lid zijn van vak- of beroepsorganisaties van Europese ambtenaren”.
168 In dit verband volgt uit de rechtspraak dat de Unie-instellingen niets behoren te doen wat de uitoefening van de vrijheid van vakvereniging kan belemmeren die wordt erkend door de in de punten 165 tot en met 167 hierboven genoemde bepalingen (zie in die zin arrest van 18 januari 1990, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer, C‑193/87 en C‑194/87, EU:C:1990:18, punt 12).
169 De aldus erkende vrijheid van vakvereniging van de ambtenaren en personeelsleden van de Unie houdt voor de VBO’s het recht in om ter behartiging van de beroepsbelangen van hun leden elke rechtmatige activiteit te ontplooien (zie in die zin arrest van 18 januari 1990, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer, C‑193/87 en C‑194/87, EU:C:1990:18, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
170 Daaruit volgt in de eerste plaats dat de Unie-instellingen moeten aanvaarden dat de VBO’s hun taken van vertegenwoordiging en overleg uitoefenen met betrekking tot alle aangelegenheden die het personeel raken en, in de tweede plaats, dat zij de ambtenaren of personeelsleden in generlei vorm mogen benadelen wegens hun vakbondsactiviteiten (zie in die zin arrest van 18 januari 1990, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer, C‑193/87 en C‑194/87, EU:C:1990:18, punten 14 en 15).
171 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster, als erkende VBO, krachtens het bestreden besluit met het oog op de uitoefening van haar vakbondsactiviteiten gebruik blijft maken van de in artikel 13 van de Overeenkomst voorziene faciliteiten, zodat zij weliswaar niet over dezelfde prerogatieven en middelen beschikt als een representatieve VBO, doch wel de mogelijkheid behoudt om haar taken van vertegenwoordiging en overleg uit te oefenen aangaande alle aangelegenheden die het personeel raken.
172 Bovendien staat het bestreden besluit er geenszins aan in de weg dat verzoekster haar status van representatieve VBO herkrijgt indien zij opnieuw de in de Overeenkomst vastgestelde representativiteitsdrempel behaalt.
173 Bovendien vormt het bestreden besluit geen enkele belemmering voor de vrijheid van vreedzame vergadering, voor de vrijheid van vereniging van verzoeksters leden met het oog op de behartiging van hun belangen en evenmin voor hun recht om tijdig te worden geïnformeerd en geraadpleegd, met name in het kader van het personeelscomité dat specifiek bij het Statuut is ingesteld.
174 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 9, lid 3, van het Statuut het personeelscomité de belangen behartigt van al het personeel bij de instelling waartoe het behoort en zorgt voor een voortdurend contact tussen deze instelling en haar personeel, en tegelijkertijd bijdraagt tot de goede werking van de diensten, door de mening van het personeel aan de dag te doen treden en deze naar voren te brengen (zie in die zin arrest van 19 oktober 2023, Aquino/Parlement, C‑534/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:802, punt 32).
175 Ten slotte staat het bestreden besluit er geenszins aan in de weg dat andere representatieve VBO’s binnen de Raad de belangen van verzoeksters leden behartigen bij het onderhandelen over en sluiten van overeenkomsten als die waarop artikel 10 quater van het Statuut ziet, of dat haar leden collectieve acties ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking.
176 In die omstandigheden kan het bestreden besluit, dat niet is genomen wegens de vakbondsactiviteiten van verzoekster, maar dat krachtens de Overeenkomst wordt gerechtvaardigd door de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder dat zij zowel op de eerste als op de tweede referentiedatum de in die Overeenkomst vastgestelde representativiteitsdrempel niet heeft behaald, niet worden geacht ertoe te strekken haar te bestraffen of de uitoefening van de vrijheid van vakvereniging van haar leden te belemmeren en de rechten die zij ontlenen aan artikel 12, lid 1, van het Handvest en aan de artikelen 27 en 28 ervan, aan te tasten.
177 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft gesteld, laat staan aangetoond, dat de bepalingen van de Overeenkomst die de terbeschikkingstelling van faciliteiten en middelen aan de VBO’s regelen om hun vakbondswerk te vergemakkelijken, naargelang het gaat om representatieve VBO’s of erkende VBO’s, een beperking vormen van de uitoefening van de door de artikelen 12, 27 en 28 van het Handvest en artikel 24 ter van het Statuut gewaarborgde rechten.
178 Bijgevolg moeten het derde middel evenals de vordering tot nietigverklaring in haar geheel ongegrond worden verklaard.
B. Vordering tot schadevergoeding
179 Verzoekster betoogt dat de overhaaste bekendmaking op 30 november 2022 – zonder overleg met haar of met de twee andere betrokken VBO’s – van de uitkomst van de eerste verificatieprocedure een voldoende gekwalificeerde schending van het beginsel van behoorlijk bestuur jegens haar vormt, waardoor zij immateriële schade heeft geleden als gevolg van de aantasting van haar reputatie. Zij vordert uit dien hoofde veroordeling van de Raad tot betaling van één symbolische euro.
180 De Raad betwist verzoeksters stellingen.
181 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de schending van de op de auteur van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (zie arrest van 27 april 2023, Fondazione Cassa di Risparmio di Pesaro e.a./Commissie, C‑549/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:340, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
182 In casu beroept verzoekster zich ter onderbouwing van onderhavige schadevordering uitsluitend op dezelfde onrechtmatigheid als die welke zij ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring heeft uiteengezet, in het bijzonder op de derde grief van het tweede onderdeel van het tweede middel, ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur wegens de bekendmaking, op 30 november 2022, van de uitkomst van de eerste verificatieprocedure.
183 Uit punt 146 hierboven volgt evenwel dat de derde grief van het tweede onderdeel van het tweede middel, die is aangevoerd ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring, ongegrond is verklaard.
184 Bijgevolg is niet voldaan aan de in punt 181 hierboven vermelde eerste voorwaarde voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, die betrekking heeft op het bestaan van een schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.
185 Bijgevolg moet de schadevordering worden afgewezen, zonder dat de andere voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Unie-instellingen hoeven te worden onderzocht.
IV. Kosten
186 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in de kosten, met inbegrip van de kosten van het kort geding.
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Section Conseil de la Fédération de la fonction publique européenne (FFPE section Conseil) wordt verwezen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.
Papasavvas Truchot Kanninen Sampol Pucurull Tóth Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 december 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 12 juli 2023, T-377/21, ECLI:EU:T:2023:398
- HvJ EU 14 juli 2022, C-116/21, ECLI:EU:C:2022:557
- HvJ EU 16 juni 2022, C-65/21, ECLI:EU:C:2022:470
- HvJ EU 22 april 2021, C-572/18, ECLI:EU:C:2021:317
- HvJ EU 22 oktober 2020, C-702/19, ECLI:EU:C:2020:857
- HvJ EU 11 juni 2020, C-114/19, ECLI:EU:C:2020:457
- Gerecht EU 31 mei 2018, T-160/16, ECLI:EU:T:2018:317
- HvJ EU 9 juli 2015, C-144/14, ECLI:EU:C:2015:452