Gerecht EU 29 oktober 2025, T-530/24, ECLI:EU:T:2025:993

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

29 oktober 2025 ( *1 )

„Openbare dienst – Ambtenaren – Sociale zekerheid – Artikel 73 van het Statuut – Ongeval – Afwijzing van de ongevalsaangifte – Te late aangifte – Overschrijding van de termijn van tien werkdagen vanaf het ongeval – Begrip ‚gegronde reden’”

In zaak T‑530/24,

FU, vertegenwoordigd door S. Orlandi, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Mão Cheia Carreira en D. Boytha als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en M. Alver als gemachtigden,

en

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland en O. Dani als gemachtigden,

interveniënten,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, N. Półtorak en T. Pynnä (rapporteur), rechters,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de stukken,

gelet op het feit dat partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen een termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep op grond van artikel 270 VWEU vordert verzoekster, FU, nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 30 november 2023, waarbij haar ongevalsaangifte van 27 november 2023 wegens laattijdigheid is afgewezen (hierna: „bestreden besluit”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Op 20 augustus 2023 voelde verzoekster, een ambtenaar van het Parlement, tijdens een reis in Griekenland bij het neerkomen na een sprong pijn in haar rechterknie.

3 Op 21 augustus 2023 heeft verzoekster een arts in Griekenland bezocht, die haar met name heeft aangeraden om met een MRI-scan [magnetic resonance imaging (beeldvorming met magnetische resonantie)] te wachten tot de knie minder gezwollen was.

4 Op 12 september 2023 heeft verzoekster, die bij terugkeer van haar reis nog steeds pijn in haar knie had, haar huisarts geraadpleegd, die haar naar een andere arts heeft doorverwezen voor verder medisch onderzoek.

5 Op 12 oktober 2023 heeft verzoekster een MRI-scan ondergaan.

6 Op 19 oktober 2023 heeft een arts-specialist in de orthopedie, op basis van de resultaten van de MRI-scan, verzoekster aangeraden een chirurg te raadplegen voor een second opinion en om te bekijken of een operatie aangewezen was.

7 Op 24 oktober 2023 heeft de geconsulteerde chirurg de noodzaak van een operatie bevestigd.

8 Op 15 november 2023 heeft ook een andere arts-specialist een operatie aanbevolen.

9 Op 27 november 2023 heeft verzoekster bij het Parlement aangifte gedaan van haar ongeval (hierna: „ongevalsaangifte”). In de ongevalsaangifte heeft verzoeksters huisarts verklaard dat het op de dag van het onderzoek niet mogelijk was om de ernst van het letsel in te schatten.

10 Op 30 november 2023 heeft het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) verzoekster bij het bestreden besluit ervan op de hoogte gebracht dat haar ongevalsaangifte te laat was ingediend en daarom werd afgewezen.

11 Op 27 februari 2024 heeft verzoekster tegen het bestreden besluit een klacht ingediend, die is afgewezen bij besluit van het Parlement van 12 juli 2024, waarvan verzoekster diezelfde dag in kennis is gesteld.

Conclusies van partijen

12 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren, en – het Parlement te verwijzen in de kosten.

13 Het Parlement, ondersteund door de Raad van de Europese Unie, verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen, en – verzoekster te verwijzen in de kosten.

14 De Europese Commissie verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.

In rechte

15 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan: ten eerste, schending van de motiveringsplicht en van artikel 15, lid 2, van de gemeenschappelijke regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „regeling inzake ziektekostenverzekering”), alsmede een kennelijke beoordelingsfout; ten tweede, schending van de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, en, ten derde, subsidiair, exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering.

Ontvankelijkheid van het beroep

16 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, voert het Parlement twee middelen aan om de ontvankelijkheid van het beroep te betwisten.

Eerste middel van niet-ontvankelijkheid: gebrek aan duidelijkheid van het verzoekschrift

17 Het Parlement stelt dat verzoekster haar verzoekschrift niet heeft opgebouwd rond duidelijk omschreven middelen, de aan het begin van haar verzoekschrift opgegeven volgorde niet heeft aangehouden en haar argumenten niet heeft gegroepeerd onder een opschrift dat overeenkomt met het opschrift van deze middelen. Bovendien heeft verzoekster ook conclusies getrokken op basis van middelen die niet rechtens genoegzaam zijn uitgewerkt, zoals schending van de artikelen 4 en 7 van de regeling inzake ziektekostenverzekering, schending van de zorgplicht en van het recht op behoorlijk bestuur, en niet-nakoming van de motiveringsplicht.

18 Verzoekster betwist deze argumenten.

19 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat het verzoekschrift „de aangevoerde middelen en argumenten alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen” moet bevatten. Volgens vaste rechtspraak hoeft de Unierechter niet in te gaan op door een partij aangevoerde argumenten die niet nauwkeurig en duidelijk genoeg zijn omdat zij niet nader zijn uitgewerkt of zijn onderbouwd door een specifieke argumentatie (zie in die zin arrest van 11 december 2024, FFPE section Conseil/Raad, T‑179/23, EU:T:2024:897, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20 Hoewel verzoekster in het onderhavige geval uiteenzet dat zij de drie in punt 15 hierboven genoemde middelen aanvoert, is het juist dat het verzoekschrift niet is gebaseerd op het achtereenvolgende beroep op deze middelen en dat genoemde middelen niet onder afzonderlijke opschriften worden weergegeven. Aan de hand van de uiteenzetting van de argumenten in het hoofddeel van het verzoekschrift kunnen de drie aangekondigde middelen en de ter ondersteuning daarvan aangevoerde argumenten evenwel op voldoende begrijpelijke wijze worden geïdentificeerd.

21 Verder stelt verzoekster, wat de argumenten inzake de vermeende schending van de artikelen 4 en 7 van de regeling inzake ziektekostenverzekering betreft, dat er zich in gevallen waarin de ongevalsaangifte te laat plaatsvond, geen situatie voordoet waarin de in deze artikelen bedoelde dekking of prestaties zijn uitgesloten. In dit verband moet worden vastgesteld dat de argumentatie weliswaar niet door eigen overwegingen wordt ondersteund, maar niettemin blijkt aan te sluiten bij de gestelde onjuiste uitlegging van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering, die wordt aangevoerd in het eerste middel, dat is ontleend aan schending van dit artikel en een kennelijke beoordelingsfout.

22 Hetzelfde geldt voor de gestelde schending van de zorgplicht en van het recht op behoorlijk bestuur. Dienaangaande betoogt verzoekster dat een restrictieve uitlegging van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering in strijd is met het recht op behoorlijk bestuur, op grond waarvan de administratie verplicht was om eenieders zaken eerlijk te behandelen, en met de zorgplicht van de administratie jegens haar personeel, op grond waarvan zij verplicht was om alle omstandigheden van het betrokken geval grondig te onderzoeken.

23 Wat ten slotte de schending van de motiveringsplicht betreft, stelt verzoekster dat het TABG zijn motiveringsplicht heeft geschonden door het begrip „gegronde reden” of de op het onderhavige geval toepasselijke criteria niet te preciseren. In dit opzicht houdt de argumentatie nauw verband met de in het eerste middel ontwikkelde argumentatie betreffende het in artikel 15, lid 2 van de regeling inzake ziektekostenverzekering bedoelde begrip „gegronde reden” , zodat zij moet worden geacht daarbij aan te sluiten.

24 Bijgevolg moet de eerste grond voor niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

Tweede grond voor niet-ontvankelijkheid: niet-naleving van de regel van overeenstemming

25 Het Parlement stelt dat verzoekster de regel van overeenstemming tussen de klacht en het verzoekschrift niet heeft nageleefd. In haar klacht heeft verzoekster geen enkel argument aangevoerd met betrekking tot de gestelde schending van de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, de gestelde schending van de artikelen 4 en 7 van de regeling inzake ziektekostenverzekering en de gestelde schending van de motiveringsplicht, of de exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering.

26 Verzoekster betwist deze argumentatie.

27 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, ingevolge de regel van overeenstemming tussen de klacht en het verzoekschrift, een voor de Unierechter aangevoerd middel op straffe van niet-ontvankelijkheid reeds in het kader van de precontentieuze procedure moet zijn aangevoerd, zodat de administratie kennis heeft kunnen nemen van de bezwaren die de betrokkene tegen het bestreden besluit heeft ingebracht. De voor de Unierechter in beroepen met betrekking tot de openbare dienst geformuleerde conclusies kunnen derhalve slechts bezwaren bevatten die op dezelfde grond berusten als de bezwaren die in de klacht zijn aangevoerd, met dien verstande dat deze bezwaren voor de Unierechter nader kunnen worden gepreciseerd door middelen en argumenten die niet noodzakelijkerwijs in de klacht voorkomen, doch er wel nauw bij aansluiten. Verder zij erop gewezen dat, aangezien de precontentieuze procedure een informeel karakter heeft en de betrokkenen in dit stadium over het algemeen zonder bijstand van een advocaat optreden, de administratie de klachten niet restrictief mag uitleggen, maar ze juist met openheid van geest moet onderzoeken, en dat artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) niet tot doel heeft de eventuele contentieuze fase nauwkeurig en definitief af te bakenen (zie in die zin arrest van 13 november 2024, WS/EUIPO, T‑221/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:820, punten 47‑49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Zoals uiteengezet in de punten 21 tot en met 23 hierboven, heeft verzoekster de argumenten betreffende schending van de artikelen 4 en 7 van de regeling inzake ziektekostenverzekering, van de zorgplicht en van het recht op behoorlijk bestuur, en betreffende de gestelde niet-nakoming van de motiveringsplicht aangevoerd tot staving van haar eerste middel. Dit middel berust op dezelfde grond als de bezwaren die in de klacht zijn aangevoerd. Wat de gestelde schending van de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid betreft, sluit het bezwaar aan bij dezelfde grond als die waarop de in de klacht aangevoerde bezwaren zijn gebaseerd. Bijgevolg is er geen reden om aan te nemen dat deze argumenten nieuwe middelen met betrekking tot de klacht vormen.

29 Wat de in het derde middel opgeworpen exceptie van onwettigheid betreft, blijkt uit de rechtspraak dat de opzet van de exceptie van onwettigheid, als incidenteel rechtsmiddel, in beginsel rechtvaardigt dat deze exceptie, wanneer zij in afwijking van de regel van overeenstemming tussen het verzoekschrift en de klacht voor het eerst bij de Unierechter wordt opgeworpen, ontvankelijk wordt verklaard (arrest van 16 december 2020, RN/Commissie, T‑442/17 RENV, EU:T:2020:618, punt 60).

30 Het feit dat de exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering voor het eerst in het stadium van het verzoekschrift is opgeworpen, leidt dus niet tot niet-ontvankelijkheid van deze exceptie.

31 In het licht van de voorgaande overwegingen moet het middel worden afgewezen waarmee wegens de niet-naleving van de regel van overeenstemming wordt verzocht om niet-ontvankelijkheid.

Ten gronde

Eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering, en kennelijke beoordelingsfout

32 Verzoekster voert om te beginnen aan dat de aanvang van de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan van het ongeval, moet worden bepaald aan de hand van het ogenblik waarop de verzekerde zich ervan bewust wordt dat hij het slachtoffer is geweest van een ongeval. Zij is zich geleidelijk bewust geworden van de omvang van haar letsel omdat het om een licht ongeval ging en de symptomen zich pas laat voordeden. De vertraging bij de aangifte van haar ongeval was dus onvrijwillig. De termijn waarbinnen aangifte is gedaan van het ongeval was redelijk gezien het feit dat zij er pas op 15 november 2023 van op de hoogte was dat zij fysiek was aangetast.

33 Voorts stelt verzoekster dat de vertraging bij haar ongevalsaangifte ook wordt gerechtvaardigd door het feit dat zij geen arts kon raadplegen die de vereiste vaststellingen kon doen. Volgens artikel 15, lid 1, van de regeling inzake ziektekostenverzekering en de bepalingen van het ongevalsaangifteformulier, moet de ongevalsaangifte vergezeld gaan van een medische verklaring betreffende de aard van het letsel en de vermoedelijke gevolgen van het ongeval.

34 Het Parlement, ondersteund door de Raad en de Commissie, betwist deze argumentatie.

35 De regeling inzake ziektekostenverzekering is door de instellingen van de Unie vastgesteld op grond van artikel 73, lid 1, van het Statuut.

36 Artikel 2, lid 1, van de regeling inzake ziektekostenverzekering definieert het begrip „ongeval” als „elke plotselinge gebeurtenis die de verzekerde lichamelijk en/of geestelijk letsel heeft toegebracht en waarvan de oorzaak of een van de oorzaken buiten het organisme van het slachtoffer gelegen is”.

37 Bovendien bepaalt artikel 15 („Aangifte van een ongeval”), lid 1, van de regeling inzake ziektekostenverzekering dat „[d]e verzekerde die door een ongeval wordt getroffen, of zijn rechtverkrijgenden [...] bij de administratie van de instelling waartoe de verzekerde behoort, aangifte [moeten] doen van het ongeval”. In lid 2 van dit artikel is het volgende bepaald: „De aangifte dient te geschieden uiterlijk op de tiende werkdag na de datum van het ongeval. Deze termijn kan echter worden overschreden in geval van overmacht of om iedere andere gegronde reden, mits de verzekerde het ongeval en het oorzakelijk verband tussen dit ongeval en de invaliditeit kan aantonen.”

38 Uit artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering blijkt dat de termijn van tien werkdagen waarbinnen de aangifte moet geschieden, begint te lopen vanaf de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan, en niet vanaf de datum waarop de verzekerde zich bewust wordt van het ongeval. Verder bepaalt artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering dat de verzekerde de termijn van tien werkdagen voor het doen van zijn aangifte mag overschrijden in geval van overmacht of om iedere andere gegronde reden, mits hij het ongeval en het oorzakelijk verband tussen dit ongeval en de aantasting van zijn fysieke of psychische integriteit kan aantonen.

39 Het begrip „gegronde reden” voor het te laat aangeven van een ongeval wordt niet gedefinieerd door de regeling inzake ziektekostenverzekering of de rechtspraak. Dit begrip moet strikt worden toegepast om twee redenen: ten eerste omdat het een uitzondering vormt op de vaststaande verplichting om een ongeval binnen tien werkdagen aan te geven en ten tweede omdat het verband houdt met bepalingen van het Unierecht die recht geven op financiële uitkeringen (zie in die zin arrest van 7 juni 2023, OP/Parlement, T‑143/22, EU:T:2023:313, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens de rechtspraak betreffende een verzoek om overdracht van verworven pensioenrechten moet een ambtenaar, ter rechtvaardiging van de niet-naleving van de termijn in een niet als overmacht te beschouwen situatie, aantonen dat hij werd geconfronteerd met een uitzonderlijke situatie die het gevolg is van oorzaken die hem niet kunnen worden toegerekend. De voorwaarden voor het rechtvaardigen van een dergelijke situatie zijn minder streng dan de voorwaarden voor het rechtvaardigen van een geval van overmacht, en het is aan de betrokken persoon om aan te tonen dat er sprake is van externe gebeurtenissen die hem verhinderen om een verplichting na te komen, terwijl deze persoon, om het bestaan van een geval van overmacht te rechtvaardigen, niet alleen moet aantonen dat er zich uitzonderlijke gebeurtenissen buiten zijn wil hebben voorgedaan, maar ook dat hij zorgvuldig heeft gehandeld om zich tegen de gevolgen van deze gebeurtenissen te beschermen (zie in die zin arrest van 9 oktober 2024, CF/Commissie, T‑51/24, niet gepubliceerd, EU:T:2024:686, punt 77).

40 In dit verband moet het begrip „gegronde reden” aldus worden uitgelegd dat de verzekerde dient aan te tonen dat hij werd geconfronteerd met een uitzonderlijke situatie ten gevolge van oorzaken die niet aan hem konden worden toegeschreven en die ertoe hebben geleid dat hij niet in staat was om binnen tien werkdagen na het ongeval een ongevalsaangifte in te dienen.

41 In de eerste plaats stelt verzoekster, wat haar argument inzake een ontoereikende motivering betreft, dat in het bestreden besluit het begrip „gegronde reden” en de toepasselijke criteria niet worden gepreciseerd. Uit dit besluit blijkt echter dat de ongevalsaangifte is afgewezen wegens laattijdigheid, en dat de termijn voor de aangifte van een ongeval betrekking heeft op de dag van het ongeval en niet op de dag waarop de verzekerde een verslechtering van zijn gezondheidstoestand heeft ervaren of de dag waarop een volledige diagnose is gesteld. Hierin is ook vastgesteld dat verzoekster zich al van het ongeval bewust is geworden op de dag waarop het plaatsvond en dat zij geen bewijs heeft geleverd van overmacht noch van enige gegronde reden waardoor zij de ongevalsaangifte niet binnen de voorgeschreven termijn kon indienen. Bijgevolg bevat het bestreden besluit een duidelijke en ondubbelzinnige uitleg waarom de door verzoekster aangevoerde redenen geen gegronde reden vormen om de vertraging bij de indiening van de ongevalsaangifte te rechtvaardigen, zodat verzoekster de rechtvaardigingsgronden van dit besluit kon kennen en het Gerecht de rechtmatigheid ervan kon toetsen. Hieruit volgt dat er geen sprake van is dat het Parlement de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet is nagekomen (zie in die zin arrest van 10 november 2017, Icap e.a./Commissie, T‑180/15, EU:T:2017:795, punt 287 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 In de tweede plaats is verzoekster, gelet op punt 40 hierboven, ten onrechte van mening dat de loutere verstrekking van het bewijs van het ongeval voldoende is om de vertraging bij de aangifte van het ongeval te rechtvaardigen. Hieruit volgt ook dat wanneer een ongevalsaangifte te laat wordt ingediend, de dekking van het ongeval bij gebreke van een rechtvaardiging wegens overmacht of een andere gegronde reden, wordt geweigerd. Zoals het Parlement, de Raad en de Commissie hebben verklaard, komt de verzekerde, zelfs indien hij niet de aanvullende dekking van de ongevallenverzekering kan genieten omdat bewijs van overmacht of een andere gegronde reden ontbreekt, niettemin nog steeds in aanmerking voor terugbetaling van zijn medische kosten door het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering.

43 Wat betreft de vraag of de vertraging bij de aangifte van het ongeval in de onderhavige zaak door gegronde redenen kon worden gerechtvaardigd, moet worden opgemerkt dat verzoekster in haar ongevalsaangifte de symptomen heeft beschreven, namelijk een gezwollen knie en moeite met lopen, die zij vanaf de dag na het ongeval had vastgesteld. Zij heeft verklaard dat de arts die zij die dag in het medisch centrum had geraadpleegd, haar had aangeraden om een MRI-scan te laten maken wanneer ze van haar reis was teruggekeerd. Zij bevestigt dat de pijn bij haar terugkeer aanhield. In deze omstandigheden kon het niet anders dan dat zij zich vóór het verstrijken van de termijn van tien werkdagen na de datum van het ongeval realiseerde dat haar een ongeval in de zin van artikel 2, lid 1, van de regeling inzake ziektekostenverzekering was overkomen. Zij kan dus niet stellen dat zij zich te laat bewust was van de ernst van haar verwondingen om zo aan te tonen dat de vertraging bij de aangifte van haar ongeval door een gegronde reden werd gerechtvaardigd.

44 Verder staat in het ongevalsaangifteformulier weliswaar dat de aangifte vergezeld moet gaan van een medisch advies van een arts, maar er is geenszins een volledige diagnose vereist om een ongeval te kunnen aangeven. Artikel 15, lid 1, van de regeling inzake ziektekostenverzekering voorziet slechts in een medische verklaring „betreffende de aard van het letsel en de vermoedelijke gevolgen van het ongeval”. Uit de ongevalsaangifte blijkt dat verzoekster binnen de in artikel 15, lid 1, van de regeling inzake ziektekostenverzekering vastgestelde termijn van tien dagen een medisch centrum heeft bezocht, maar er wordt niet aangetoond dat de door haar geraadpleegde arts heeft geweigerd haar een medisch attest te verstrekken.

45 Gelet op het voorgaande heeft verzoekster niet aangetoond dat er sprake was van overmacht of van een gegronde reden waardoor zij de in artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering vastgestelde termijn van tien werkdagen niet in acht kon nemen. Door te oordelen dat verzoekster geen gegronde reden had aangevoerd ter rechtvaardiging van de vertraging waarmee zij haar ongevalsaangifte had ingediend, heeft het Parlement geen beoordelingsfout gemaakt en heeft het evenmin artikel 15 van de regeling inzake ziektekostenverzekering onjuist toegepast. In dit opzicht bevat het bestreden besluit geen fout.

46 Deze vaststelling wordt niet in twijfel getrokken door de aanvullende argumenten van verzoekster.

47 Verzoekster betoogt dat een te late ongevalsaangifte geen geval van uitsluiting van de in de artikelen 4 en 7 van de regeling inzake ziektekostenverzekering bedoelde dekking of prestaties vormt. Dienaangaande zij opgemerkt dat in de artikelen 4 en 7 van de regeling inzake ziektekostenverzekering materiële voorwaarden voor de aanvaarding van een ongeval zijn vastgelegd die losstaan van de in artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering vastgestelde termijn.

48 Bovendien is de in het bestreden besluit gegeven uitlegging van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering volgens verzoekster in strijd met het recht op behoorlijk bestuur, op grond waarvan de administratie verplicht is om eenieders zaken eerlijk te behandelen, en met de zorgplicht van de administratie jegens haar personeel, op grond waarvan zij verplicht is om alle omstandigheden van het betrokken geval grondig te onderzoeken. Zoals blijkt uit punt 41 hierboven, heeft het TABG de omstandigheden van het onderhavige geval grondig onderzocht en is, bij gebreke van een nadere toelichting van verzoekster, niet aangetoond dat de uitlegging van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering in strijd was met het beginsel van behoorlijk bestuur en de zorgplicht.

49 Uit al het voorgaande volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.

Tweede middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid

50 Met haar tweede middel stelt verzoekster dat de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid zijn geschonden.

51 Het Parlement, ondersteund door de Raad, is van mening dat het tweede middel niet ontvankelijk is.

52 In dit verband voert verzoekster ter ondersteuning van het onderhavige middel enkel aan dat het Parlement het in artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering neergelegde criterium van de „gegronde reden” willekeurig heeft toegepast, en dat de afwijzing van haar ongevalsaangifte in strijd is met het evenredigheidsbeginsel aangezien de overschrijding van de termijn niet het gevolg was van nalatigheid, zonder hierop enige verdere toelichting te geven.

53 Voor zover verzoekster haar argumenten niet verder uitwerkt, moet het tweede middel overeenkomstig de in punt 19 hierboven genoemde rechtspraak derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Derde middel: exceptie van onwettigheid van artikel 15 van de regeling inzake ziektekostenverzekering

54 Subsidiair werpt verzoekster een exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering op. Indien dit artikel aldus zou worden uitgelegd dat hierin voor de aangifte van een ongeval een strikte termijn van tien werkdagen wordt opgelegd, zou deze bepaling onrechtmatig moeten worden verklaard wegens de ongerechtvaardigde en onevenredige schending van het in artikel 73 van het Statuut bedoelde statutaire recht op dekking tegen ongevallen. De bewoordingen van deze bepaling verzetten zich tegen een restrictieve uitlegging van de gronden die in aanmerking kunnen worden genomen bij het onderzoek of de overschrijding van de aangiftetermijn gerechtvaardigd is. De clausule zoals uitgelegd door het TABG zou neerkomen op een oneerlijk beding dat leidt tot onevenwichtigheid tussen de respectieve rechten van de verzekerden en de verzekeraar, en zou in strijd zijn met het in artikel 73 van het Statuut neergelegde recht op sociale zekerheid.

55 Het Parlement, ondersteund door de Raad en de Commissie, betwist deze argumentatie.

56 De door verzoekster aangevoerde exceptie van onwettigheid strekt ertoe dat artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering niet toepasselijk is op grond dat dit artikel niet in overeenstemming is met artikel 73 van het Statuut, hetgeen het geval is aangezien het bepaalt dat de ongevalsaangifte moet worden ingediend binnen tien werkdagen na de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan.

57 In dit verband blijkt om te beginnen duidelijk uit artikel 73, lid 1, van het Statuut dat de ambtenaar is verzekerd tegen uit ongevallen voortvloeiende risico’s „[v]olgens een door de als tot aanstelling bevoegde gezag optredende instanties van de instellingen [...] in onderlinge overeenstemming [...] vastgestelde regeling”. Dit artikel heeft als rechtsgrondslag gediend voor de vaststelling van de regeling inzake ziektekostenverzekering. De vastlegging van de voorwaarden voor de vergoeding van gemaakte kosten valt derhalve onder de bevoegdheid die door artikel 73 van het Statuut aan de instellingen wordt toegekend.

58 Verder bestaan er uitzonderingen op de in artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering vastgestelde termijn, namelijk gevallen waarin er sprake is van overmacht of gegronde redenen.

59 Bovendien is, zoals het Parlement, de Commissie en de Raad betogen, de vaststelling van een tijdsvoorwaarde voor het indienen van een ongevalsaangifte een noodzakelijke maatregel om misbruik van rechten en fraude te voorkomen. Het doel van een dergelijke voorwaarde is immers de instellingen in staat te stellen om met voldoende zekerheid na te gaan of het aangegeven ongeval zich heeft voorgedaan en of er een oorzakelijk verband bestaat tussen dit ongeval en het letsel.

60 Ten slotte is een termijn van tien dagen niet onredelijk, aangezien verzekerden bij hun ongevalsaangifte een medisch attest van eerste vaststelling kunnen voegen, dat vervolgens kan worden aangevuld.

61 Derhalve is de in artikel 15, lid 2, van de regeling inzake ziektekostenverzekering vastgestelde termijn waarbinnen, behoudens overmacht of gegronde reden, een ongeval moet worden aangegeven om vergoeding van de gemaakte kosten te verkrijgen, niet in strijd met artikel 73, lid 1, van het Statuut.

62 Bijgevolg moet de exceptie van onwettigheid ongegrond worden verklaard en het beroep in zijn geheel worden verworpen.

Kosten

63 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het Parlement worden verwezen in haar eigen kosten alsook in die van het Parlement.

64 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. De Raad en de Commissie dragen derhalve elk hun eigen kosten.

HET GERECHT (Vierde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) FU draagt haar eigen kosten alsmede die van het Europees Parlement.

3) De Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten.

da Silva Passos Półtorak Pynnä Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 oktober 2025. Ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken